gelachen. Wat zou dat voor dolheid zijn, had hij Daniël tegengeworpen. Deed hij z'n plicht of deed hij dien niet? Ging hij niet stellig eenmaal in de vier weken naar huis, al had vader z'n meisje niet willen ontvangen, zoodat hij ieder oogenblik daarover mot had met Rebecca? En op Joum-Kippoer vastte hij, dat had niets in, dat deden de meeste jongens nog en dat zou hij blijven doen. Trouw ook zeide hij het ״kaddisj" voor moeder en kwam op Rousj-Hasjono minstens éénmaal in de vroege sjoel. Voor de rest ging hij z'n gang, maar hoefde vader daarvan te weten? Vader was een oude man, was orthodox, en hij was liberaal, een moderne jongen! Dat hij met een Christenmeisje zou aankomen of bij Christenen intrekken, daar hoefde vader niet bang voor te wezen, hij zou met Christenlui niet kunnen aarden en hun eten niet hebben gelust. Hij bleef, die hij was, en leefde plezierig, daar was niets gewichtigs in en had niemand z'n hoofd over te breken.
Zóó had Jozef met hem gepraat en Daniël overwoog nu de woorden van z'n broer en hij benijdde hem even. Maar dan ook weer niet, want wat Jozef deed, was geen leven. En hij wist ook heel goed, dat hij-zelf daarin nooit bevrediging zou hebben gevonden.
Maar Roosje, wat was zij voor een kind, wat ging er om in haar? Vroeger, hij herinnerde zich wel, had ze hem soms geërgerd om haar gebrek-aan-trots, het vleien, dat ze deed, te mogen spelen met kinderen, die haar minachtten. Toch had hij altijd meer om haar gegeven dan om bitse Esther, en hij wist nu heel goed, dat bij Roosje haar hang naar liefde en teederheid, haar behoefte te zijn opgenomen in een kringetje, het hadden gewonnen in den kamp met haar trots en dat het in waarheid Esther was, die ondanks haar nuffigheid en hoogdoen tegen de buurtkinderen nooit een grein echte hooghartigheid
173