Tegen den avond schrok hij op. De winkeldeur bonkte open, maar er trad niemand in. Zeker een kwaadwillige jongen, dacht hij. En hij stond op en sloot de deur. Toch bleef hij maar wakker en overeind. Nu toch kon ieder oogenblik Roosje thuiskomen, om klaar te zetten voor den eersten maaltijd, den vreugde-maaltijd. En met plotseling gerezen deernis dacht hij ineens aan dat jongste zusje, om wie hij zich eigenlijk nooit had bekreund, toch wel zich tot haar aangetrokken gevoelend, en hij zag met bange zorg op tegen hun gesprek, dat onvermijdelijk zou moeten komen.
Ze zou wel schreien en smeeken, het kind, ze had veel, al te veel geleden de laatste jaren, haar jonge vroolijkheid, haar fleemsche zachtaardigheid waren in al dat leed, leed van schande en leed van droefenis, tenondergegaan. Ze was nu een stil, schuw kind, neergebukt onder 't dagelijksch leven met vergramden vader en het gelaten slikken van zijn booze buien. Ze was magerder en bleeker, maar ook mooier geworden, dat had hij, die weinig lette op zusters-en-broers zelfs moeten opmerken.
Zij had nu van hen alle vier ook wel 't droefste en bezwaarlijkste lot. Jozef in Amsterdam — hij zag hem daar maar zelden — leefde vroolijk en wel in z'n Joodsch clubje van kameraden en meisjes, speelde comedie voor z'n liefhebberij en kwam druk in café's. Hij stond om z'n ijver, z'n ronde goedigheid, z'n onverstoorbaar humeur bij de chefs uitnemend aangeschreven, kreeg ieder jaar opslag en werd een heele meneer. Hij had zich een fiets gekocht en maakte op z'n vrijen dag, den Sjabbes, tochten met z'n clubje. Daniël had hem eens gevraagd, of hij het niet noodig vond, vader te doen weten van z'n afvalligheid en z'n overtredingen, maar Jozef had eerst verbaasd gekeken, toen gelachen lang aaneen en met zwaar geluid, zooals hij ook als jongen had
172