van jongsaf had zien doen en zijn kinderen te doen beval? Wie vroeg naar het ״waarom" der dingen? Daniël voelde nog den trots om zijn overgrootvader Akiba, die de groote gave der voorspelling had bezeten, hij eerde zijn afkomst en het verleden van zijn volk, hij eerde de nagedachtenis van zijn moeder en nam zich op dezen dag weer voor, tot zijn dood toe op den dag van haar dood het „Kaddisj" voor haar rust te zeggen, stil en alleen en zonder bijstand van anderen, zonder ophef van sjoelgaan en offeren.
Maar blijven in het verband van een dooden ritus met een troep onverschillige menschen, hij vermocht het niet langer. Onherstelbaar en voorgoed had hij daareven dat verband verbroken.
De uren verliepen stil en traag.
De zonneglans slonk en bleekte, de lampevlam, triomf eerend, leefde op, tot gelijkheid, tot overwichtigheid ten slotte. Buiten, over de sloot, over de achtertuinen van de overzij, kwam de koele schemering-na-herfstdag neergegleden, de groene heesters en de bonte boomen stonden er stil tegen een bleekblauwe lucht.
Daniël had wat geslapen, 't pijnlijke hoofd neergezonken op de tafel en was, weer ontwaakt, nog maar blijven doorsoezen, lusteloos en onmachtig, flauw van honger, wee van hoofdpijn.
Hij vastte, om verantwoord te zijn en zou het blijven doen, maar waartoe, waartoe....?
Daar, in sjoel, daar zou het nu een atmosfeer zijn, om in te bezwijken. Boas was zeker, als ieder jaar, half-machteloos naar huis gegaan, in de vrouwensjoel waren er stellig weer flauwgevallen! En waartoe, waartoe? dat samenbroeien in een benauwde, bedompte ruimte, waar men licht en lucht buiten sloot, waar men zich dwaselijk martelde met de felste ontbering! Zóó vroeg het zich in zijn moedelooze verwardheid de gepijnigde jongen af.
171