weerkeerde in den zoelen avond van den verreinen-den boetedag, terwijl de ééne bazuintoon heb nog naklonk in de ooren....
Bitter beproefde hij de herinnering aan het zoete, omdat het niet meer zou kunnen terugkeeren, omdat het dood was, dood voor altijd, doch voor hem alleen. Dood en ontbindend, zoodat het hem walgde.
Z'n hoofd klopte en gloeide, verward woelden de gedachten daarbinnen. Maar hij voelde geen wroeging. Hij had niet lichtzinnig gehandeld, hij had nooit gespot, hij onderbrak den vastedag niet, omdat hij eten begeerde. Hij zou niet eten, voor de tijd was verstreken, hij wilde verantwoord zijn voor z'n vader en zich kunnen verweren tegen onredelijke beschuldiging.
Hij voelde geen angst. Hij wist, dat hij eerlijk en trouwhartig was geweest, nu en al de verloopen jaren van zijn strijd. Heden was het de dag van beslissing geweest, dag van afrekening en zuiver stelling óók voor hem, en voor hem in oprechter zin dan voor die allen die nu in doodshemden naar hun etensuur stonden te hunkeren, — maar hij had allang geweten, dat dit eenmaal zou moeten komen. Pijndoend had hij, jaren lang, de verdorring, de verschrompeling, de ontaarding rondom zich gevoeld en waargenomen. Alles, het verhevene en het vulgaire, het zinlooze zoo goed als het zinvolle, alles te zamen was het bijeengekliekt tot een plompen en bezwaarlijken vormendienst, dien iedereen slaafs volgde of listig te ontduiken zocht, tot een sleep van onbegrepen voorschriften, waarbij symbool en werkelijkheid werden verward, verouderde bepalingen van reinheid en gezondheid, op dwaze wijze tot godsgebod verheven, met de onstoffelijke idealen, de werkelijke Godsgeboden op eenzelfde lijn gesteld en onbegrepen dooreengehaspeld.
Welke Jood wist nog den zin van wat hij deed,
170