afgedaan. Z'n hoofd klopte, heet gloeide hem de keel, en hij keek niet op, terwijl hij bidkleed en boek in den blauwen zak stopte, die het Barmitswo-geschenk van zijn moeder was geweest. Zijn buren, naast hem en voor hem hadden nu ook opgemerkt, het vreemde, dat hij deed; zij stootten hun buren weer aan, en het bevreemde, verontwaardigde fluisteren plantte zich voort als een huiver langs de heele lengte van de beide banken. Die tegenover hem stond, óók sjammes en parnassim werden een na een opmerkzaam; de sjoel viel plotseling smoor-stil. De kaarsen brandden, roerlooze goudpunten op de slinkende bedropen witte staven, en de stem van den Rebbe galmde in doodsche stilte voort. En smartelijk meevoelde Daniël het toornige leed van zijnen ouden vader, dien hij in het witte doodskleed wist tegenover zich.
Haastig, het gebogen hoofd bloedrood, strompelde hij, den zak onder den arm geklemd, voorlangs zijn weerzinnig-wijkende en vijandig-mompelende buren de bank uit, en liep naar de deur. De toorn der gemeente woog op hem neer, zwaar en dreigend, in het korte moment van bank naar deur. In de doodstilte klonk rauw en storend het knarsen der verroeste scharnieren, even, en dan sloeg de deur achter hem toe. 't Schemerig pórtaal doorliep hij op den tast, greep bevend den knop van de buitendeur en zag het buiten, boomen, straat en menschen, in September-schen zonneluister voor zich uit.
XXIX
Hij kwam in zijn vaders huis, somber en bedrukt. Achter het neergelaten winkelgordijn hing een domp-zoete lucht van nieuwe voering en van bombazijn, en er was druilerig schemerlicht. De deur naar de huiskamer stond half-open, daar gloorde over het witte
168