Niemand dacht aan boete en bekeering, aan berouw en deugd-voornemens, en er was werkelijke aandacht slechts voor het bedrag, dat de ter wetslezing opge-roepenen zouden offeren voor de genootschappen der gemeente, en voor het aantal en den prijs hunner zegeningen.
En Daniël, eenzaam tusschen vreemden, voelde een groote bitterheid in zich opstijgen en tegelijk ook zelfverwijt, omdat hij dit alles zoo moést zien, omdat hij nu alleen nog oog had voor het leelijke, het vulgaire, het ontwijdende, omdat dat en dat alleen zich voortdurend en pijndoend aan hem opdrong. Zóó als het nu toeging moest het immers ook in vroeger jaren zijn toegegaan; was toen, als kind, zijn ziel niet rijker en hooger geweest dan nu, dat hij uit dit alles een heerlijke verbeelding had kunnen opbouwen, en er de zoetste herinneringen aan had kunnen bewaren? Gelukkiger in ieder geval. Nog verleden jaar was het hem zoete verlichting geweest, zich op de borst te slaan in het belijden en berouwen van zijn zonden, had hem het aanschouwen van al die mannen in doodsgewaad als altijd opnieuw doen huiveren van diepe ontroering. Niets meer was er van over, hij zag nu alleen nog het dwaze, het leelijke, den hoon van het waarlijk-heilige. Waar er twee opgeschoten jongens elkaar in de oor en kietelden met de draden hunner bidkleeden en ingehouden proestten, zoodat de oude sjammes, de ordebewaarder, scheen op barsten te staan van nog-betoomde woede, — hij zag het. Hij zag het lonken van roojen Manus — die een slungel was in een sluik grijs-groen jasje — omhoog naar de vrouwen-sjoel, waar vette Bekkie stond, z'n meisje, die zoetelijk teruglachte naar beneden.
Hij speurde rusteloos iederen trek van verveling; zijn oogen vingen iederen blik naar de ronde, trage klok, en zijn ooren het grapjes-gefluister; hem ontging niet het stil-driftig kibbelen op de Parnassim-
166