voorhang, waarop een Hebreeuwsche spreuk stond geborduurd in stijve, gouden karakters, schoof hij terzij, en het Heiligste, de zwaarbebeeldhouwde kast, hoog en breed en gekroond met een dubbelen driehoek, die Davids Schild verbeeldt, kwam bloot. Een knap van het slot, en de deuren weken wijd vaneen. Zichtbaar werden nu de zeven verschillende rollen, in zeven verschillende siergewaden, die rechtop stonden naast elkaar gerijd tegen den donkeren achterwand van de diepe kast aan — rood fluweel met goud, geel met flonkersteenen, groen doorweven van zilverdraad, verschoten violet, omboord met oud-goud — als rijkgekleede poppen zonder hoofd. Ze stonden bloot nu en te kijk voor de gemeente, en de man, die z'n plicht, welke eere was, had volbracht, ging met oogen neer de trapjes af en naar z'n plaats terug.
Daniël keek rond. Hij zag op de gezichten naast en tegenover zich aandacht noch belangstelling. Er was alleen nieuwsgierigheid, wien de volgende mits-wo zou te beurt vallen, die de hoogste was en 't uit de kast nemen van de Wetsrol, 't dragen ter kus langs de banken en, na de lezing, 't terugzetten in de Arke omvatte.
Het boezemde Daniël geen belang in, noch wie de eer van het ontwinden zou genieten, noch wie de rinkelende siertorens zou mogen plaatsen op de houten punten, die uitstaken boven de kleurige gewaden, noch wie er straks zouden worden opgeroepen om enkele volzinnen voor te dragen en daarna voor ieder hunner verwanten en vrienden in het openbaar een zegening te doen uitspreken, wélgeteld en per stuk betaald.
Hij zag de gezichten, die lusteloos hadden gestaan en verveeld al de verloren uren, in verwachting opgeleefd, monden, die tevoren hadden gegaapt of werktuigelijk voortgepreveld, bewegen in druk-ge-dempt gesprek over vermoedens en verwachtingen.
165