aan geërgerd. Het ging er toe als op een publieke veiling, en de Rebbe speelde voor afslager. Van z'n verhevenheid af zette hij in, noemde het bod, in bar-baarsch-klinkend jargon, en de gemeente bood op het gebodene in hetzelfde taaltje.
Dwars door de sjoel stapte de sjammes naar de voorste bank en knikte gewichtig tegen een heer, die daar achteloos stond te bladeren in z'n Toraboek, en kuchte en fluisterde ״u". De toegesprokene kreeg een kleur, sloot z'n boek en schoof langs z'n buren de bank uit. Het was een knappe, donkere man, van vijfendertig jaar, wiens wél verzorgd en wél gekapt hoofd — zwarte krulharen in zorgvuldige scheiding, snorretje boven rooden mond met witte tanden, glanzend lorgnetje op gebogen neus — allerdwaast uitstak boven het plechtig-witte doodskleed, dat hij droeg. Handbreede stukken broekspijp staken er onder vandaan. Uit z'n bank, liep hij onder 't kijken en morren naar de plaats der Heilige Arke toe.
Er mompelde ontevredenheid door de rijen, omdat de man, die de eerste mitswe kreeg, tot de meest ״vrijen" van de kille hoorde, tot de menschen, die alleen op Joum-Kippoer in sjoel verschijnen om schoon-schip te maken en het heele verdere jaar dat schip volladen met tallooze zonden tegen spijs- en Sabbathwetten, tot den volgenden keer toe.
De man, zich dwaas voelend in z'n doodskleed, verlegen frunnekend aan z'n lorgnetje, ging naar de verhevenheid en beklom langzaam de tapijten treed-jes, aan weerskanten waarvan een heel lange kaars brandde in hoogen, bruinhouten standaard. Op de slanke, witte staven, bepukkeld van wasdrupsels als gestolde tranen, stonden roerloos de goudpunten der smalle vlammetjes.
Het was nu heel stil in ieders kijken naar den man, die daar voor de arke stond. Het diepblauw fluweelen
164