brachten, ter eere van de Hoogtij, met plechtige langzaamheid het gewone gebed, en terwijl hier en daar al klapjes hoorbaar werden van dichtgeslagen boeken, duurde het rochelend mompelen van den ouden man in de bank vóór Daniël onderbroken voort, en klonk nog bij poozen van de bank der bestuurderen de scherpe, hooge uithaal, waarmee de parnas gewoon was iederen gebed-volzin te beëindigen.
Met al zijn macht hield Daniël zijne gevoelens vz.n weerzin en vervreemding in zich terug. Alleen met zijn afwijkende gevoelens temidden van de bidden-den, stond hij zich, zich-zelf-aanvallend, te verweren tegen z'n eigen gedachten.
Nu nog niet mocht hij zich verloren geven; de verwachting naar het betere, het ontroerende, hij wilde die nog vasthouden, niet zonder weerstand het laatste uit zich laten wegzinken, zoodat er niets meer zou zijn dan leegte en vervreemding.
Traag verliepen de uren naar den middag toe. Van buiten-af, als uit een vreemde, verre wereld, klonken straatgeluiden, de roep van een koopman, speelsch geschreeuw van kipderen. En Daniël dacht met verlangen aan het luwe milde herfsttij, dat rondom de grauwe synagoge, overal buiten de gesloten, grijze gordijnen moest staan, aan den warmen wind, aan de gouden zon, aan den wijden polder, groen tusschen blinkende slooten, aan de teere verschieten ver over de graslanden heen.
En dan rook hij kaarsenwalm, en benauwde uitwaseming van menschen, die niet gegeten hadden, en zich niet hadden mogen wasschen, een flauwzurige lucht, doorstonken van fietsen odeklonje-geur, die van achter het traliewerk der vrouwenafdeeling vandaan, zich zoetig verspreidde in de warme lucht. Hij zag de hoofden bleek en benauwderig, zakdoeken, die zweet wischten, oogen in starren kijk naar de klok, zenuwig-frunnekende handen.
162