Niet langer knarste de buitendeur open, klapte toe, om sjoelgangers in te laten, de ronde klok boven de deur naar de kerke-kamer wees zes uur. De banken waren bezet, man naast man, een zeldzaamheid, en nooit anders dan op Joum Kippoer het geval. Onhoorbaar op hun viltschoenen kwamen de laatsten uit het kleedhokje naar hun plaatsen toe. Reeds nu werd binnen de gesloten deur, de dichtgetrokken gordijnen de atmosfeer domp en walmig-benauwd. Er waren een zestig mannen, er brandden tientallen van kaarsen en de dienst zou veertien uren achtereen voortduren.
Het ochtendgebed, het gebruikelijke van alle dagen bad Daniël niet mee. Strak staarden z'n oogen op de vierkante zwarte letters in het open boek, dat voor hem op den rand van de bank lag.
Vóór hem stonden twee opgeschoten jongens. Hij kon niet zien, wat ze uitvoerden, maar hun hoofden en ruggen bewogen aanhoudend naar elkaar toe en dan weer van elkaar af; blijkbaar hadden ze ingehouden pret. En naast die twee stond een oude man in gebed verzonken, hij mompelde haastig en maatloos en soms klonk het rochelend uit z'n keel, zwaar en grof, kwaadaardig haast, als was hij verkouden en had het met z'n slijm te kwaad.
Eenzaam, in 't midden van de sjoel stond op z'n verhooging de Rebbe, en die bad luidop, de oogen neer naar het boek dat voor hem lag tusschen twee brandende kaarsen in, op een wit-satijnen kleedje. Hij keek daarvan geen enkele maal omhoog, juist alsof hij alleen was geweest. De anderen baden ieder voor zichzelf en ieder naar lust en stemming, halfluid met langgerekte uithalen — 't hoofd daarbij in den nek geworpen en den blik omhoog — of stil prevelend met de lippen zonder klank of met gedempte zware keelgeluiden, dat klonk als het gebas van een nijdigen hond. Sommigen baden snel, aan één stuk door murmelend zonder opzien, anderen echter vol-
161