Ze hadden 't allemaal druk met het klaarleggen van hun gebedboeken, 't uitvouwen van hun wit-en-zwart wollen bidkleeden. Lessenaars klepten, armen gebaarden stijf in het omzwaaien van een bidkleed, de geelwitte schouwdraden vlogen eventjes wapperend op.
Achter zijn vader en zijn broer doorliep Daniël de synagoge over haar heele lengte. De bank van de parnassim — de bestuurderen der gemeente — was alreeds bezet, en ook de Rebbe, oud en eerwaardig in zijn wijd doodsgewaad, dat hem reikte tot de voeten ,van dik wit koord omgordeld en waarover het lange, fijne talles met satijnen hoeken breed afhing over den rug, stond al voor z'n lessenaar, nog mompelend lezend uit zijn open boek, of hij zich oefende, hoofd en bovenlijf voortdurend in op-en-neergaande beweging.
De vader en de beide zoons kwamen nu ook door het lage deurtje het duf-riekende, kille kleedvertrekje in. Er was daar glanslooze schemering en vochtige kilte. Stemmen mompelde in druk gesprek, smoorden een oogwenk onder het overgeworpen doodskleed, met wurmende koppen en spartelende armen weer oplevend, handen gebaarden, gesteven katoen, riekend naar de wasch, krakkerde, als de lichamen er zich moeizaam mee omwrongen.
Daniël keek naar zijn vader met deernis, terwijl de oude man over zijn zwarte pak met moede bewegingen het soepele, fijn-linnen doodshemd deed glijden, het hemd, dat naar oud gebruik, een huwelijksgeschenk van zijn vrouw was geweest. Zóó zou hij in zijn graf worden gelegd, zooals hij daar nu stond, in ouderdom en kommer gebogen. ..., want bleeker, vervallener, dan het nu was in dezen vroeg-ochtend van vastendag, zou z'n gezicht wel niet kunnen worden.
Deernis voelde hij, maar het was deernis zonder
159