overdacht Daniël met vreugde, dat hij daar in de sjoel, nog zijn eigen oude jongensplaats had, niet bij vader en bij Jozef. Hij zou dus den heelen dag alleen zijn, hij zou waakzaam en bewust trachten te blijven, ondanks de vermoeienis van het gestrenge vasten, dat al den vorigen avond was aangevangen, ondanks de benauwenis van de stikvolle, gesloten sjoel, vol onfrissche menschen, die hem te wachten stond.
Het was September-morgen, kwart voor zes. Er was wind en zon, de lucht koel, de straten licht en leeg. Bij de Synagoge stond een man met een kar vol zoet-riekend ooft. Die keek naar het aankomen en binnengaan der sjoelgangers. Binnen het hek scheidden mannen van vrouwen, en die laatsten bestegen, in haar ruischende beste kleeren, gebedboeken onder den arm, de steile trap naar de galerij, waar ze hun afgezonderde plaatsen zouden vinden, achter traliewerk verscholen.
Lehren ging zijn zoons voor, de stoeptrapjes op, de buitendeur in. De binnendeur knarste open; uit 't zonnige-koele buiten traden ze in sjoel. De deur sloeg toe. Veertien uren achtereen zouden ze daar binnen verblijven.
De schemer was er doorguld met kaarsenschijn, grauw-bruine gordijnen waren voor de hooge, smalle ramen zorgvuldig toegeschoven, geen spoor van daglicht kierde er doorheen. Onder de hooggewelfde zoldering bewogen zich zacht, geluidloos mannen in wit doodsgewaad.... ze kwamen een voor een door een laag, smal hoekdeurtje uit 't kleine vertrekje, waar ze zich de wijde, witte gewaden hadden aangetrokken en gingen dan stil op hun geluidlooze vilt-schoenen naar hun plaatsen. De sjoel was al vrij vol: overal in de lange banken onder de ramen, tegen de muren links en rechts, stonden witte mannen, minderjarige jongens in hun beste pakjes ertusschen.
158