dat ze deed, al redderend in de vale keuken, kreeg ineens een blijen schrik....
De winkeldeur was opengegaan, een vlaag van wind en nattigheid was binnengestormd, maar ze had de stemmen van Jozef en van Daan herkend!
XXVIII
In den vroegen morgen van den Joum-Kippoer ging Daniël met zijn vader en met Jozef naar Sjoel. Hij wilde, nu hij eenmaal weer thuis was, geen openlijk verzet toonen; maar ook zonder die overweging was hij willig gegaan, omdat hij vurig hoopte, iets van de diepe emoties zijner jong kinderlijke jaren terug te vinden.
De Rousj-Hasjono-viering was een doffe teleurstelling geweest, twee lange, in verveling ten einde gesleepte dagen, van wind en regen, van leege gedachten, van averechtsche wenschen, van lusteloosheid en van krakeel. Hij had dat toegeschreven aan de betreurlijke huiselijke omstandigheden, aan moeders afzijn, dat overal leegte liet en gemis, dat aan alles het innigste en teederste had ontnomen. En zijn verlangen was naar den Joum-Kippoer, den grooten dag van vasten en vergeving, van boetgebed en bazuingeschal. Dag, waaraan de herinnering nog heerlijk-hoog en ongerept-heilig in hem leefde. Hij had het gevoel, of van dezen Joum-Kippoer zijne laatste verbintenis met het Jodendom afhing, of alles gebroken en hij voor immer van alles vervreemd zou zijn, als ook dit allerheiligste zou blijken niets te zijn geweest dan een schoon verbeeldingsspel uit den kinderleeftijd van zijn eigen ziel, — spel dat hij, man geworden, zou moeten loochenen en belachen.
Terwijl ze door de stille straten gedrieën zonder spreken voortliepen naar de sjoel toe, hun gevouwen bidkleeden in de zijden zakken onder den arm,
157