denken, terwijl ze redderde, om 't eten klaar en de keuken helder te krijgen voor den Jomtof. Verleden jaar.... zoo heerlijk, zoo gezellig alles nog. 's-Mor-gens al in de vroegte, toen was de vrouw van den Sjammes gekomen met den honing. Die gezellige ouwe Juut, die de heele kille rondging met haar grooten aarden pot vol heerlijken, goudgelen honing waarin dik en vet klonterden de witte druipende raten. Een houten lepel stak diep erin en ieder kocht een bakje vol of een kommetje vol en betaalde haar daarvoor mild met twee of drie kwartjes of een gulden. Moeder gaf altijd een gulden, hoewel vader dat te veel vond. Dat gaf de ״parnas", zei hij altijd. Maar dan lachte moeder, en gaf het haar toch, de ouwe Juut, en óók een kop koffie. Terwijl ze dat dan dronk stond de pot met honing en de nieuwe withouten lepel erin, op de tafel, en Roosje wist nog best, hoe ze daar dan wel alle vier omheen hadden gestaan — niet 't verleden jaar, maar véél vroeger, ouwe-Juut kwam al zoolang als ze wist — en hoe dol zij-zelf dan verlangen kon, dien druipenden honing-lepel te mogen aflikken, heelemaal te mogen schoonlikken.
Nu was er óók honing, want dat moest, dat was voorschrift.... die honing was immers het zinnebeeld der zoete verwachtingen van het pas-begonnen jaar.... maar oude Juut met den rooden pot onder den helderen witten doek was er niet geweest. Vader had de Rebbe gevraagd, een potje vol voor hem mee te brengen uit Amsterdam en de Rebbe was 't vanmorgen komen aanreiken....
Als Daniël maar kwam. Een vage angst knaagde voortdurend in haar, dat Daniël éénmaal plotseling zou wegblijven en verdwijnen, zooals Esther verdwenen was. Hij had toch gezegd, dien Vrijdagavond ....
Maar het kind, midden in het sombere mijmeren,
156