zelf onbegrepen leed om het onherroepelijk teloorgaan van een deel van wat eens een gelukkig gezin was geweest.
En Daniël....
Vanavond zou het Rousj-Hasjono wezen.... De middag vorderde — als hij maar kwam! Misschien straks, tegelijk met Jozef, 't Gebeurde wel zelden, dat ze tegelijk kwamen en zelden ook zagen ze of spraken elkaar in Amsterdam. Ze leefden in zoo verschillende kringen, had Daniël wel eens geantwoord op haar vraag daaromtrent. Maar Jozef was toch óók de oude vroolijkert niet meer, en wat hem dwars zat, dat wist ze heel best, 't was, dat hij niet met z'n meisje dorst aankomen, met Rebekka Kapper, de zuster van David. Ze wist evenzeer, dat David Kapper niet meer bij hen thuis kwam, niet meer mocht komen, sinds Vader hem op Sjabbes een sigaret had zien aansteken. En Rebekka was zijn zuster, en even ״vrij" als David, dat had Jozef zelf bekend. En Rebekka's heele familie was vrij en.... Jozef zélf was vrij. Alle jongens op het magazijn waren het, had-ie haar verteld, je maakte je belachelijk met al die vromigheid en zich belachelijk te maken, daar bedankte hij voor. Maar vader verdriet doen, die toch al zooveel had geleden, dat wilde hij óók niet. En nu zat hij er tusschen, aan den eenen kant Rebekka, die graag „geëngageerd" wou wezen — ja, dat begreep Roosje best — en erop aandrong, dat Jozef met vader zou praten en aan den anderen kant Vader.... die niet willen zou, en Jozef, die 't niet over z'n goeie hart kon krijgen, hem nog meer verdriet te doen....
Nee, er zou geen gezelligheid zijn vanavond — niets.... niets...., een ellendige Rousj-Hasjono-avond, zoo ellendig, als ze nimmer had gedacht te beleven.
Verleden jaar.... ze moest er weer en weer aan
155