Esther weg, Daniël weg.... Nee, hij zou niet gaan.... hij zou 't niet doen, niet durven. Hij zou haar niet alleen laten met vader, haar, wier heele leven toch al met éénen slag was ten kwade gekenterd.
Alles was immers weg voor haar, iedere kans op blije toekomst onherroepelijk vervlogen. Nooit zou ze onderwijzeres worden, nooit een klas aardige kinders hebben om te verwennen en prettig mee te spelen. Truus en Cato, haar nieuwe vriendinnen van de Normaalschool, ze hadden haar vergeten, na zóó kort al. Ze keken nimmermeer naar haar om. Nu had ze niemand meer, die van haar hield of van wie zij kon houden, en zou ze óóit wel zoo iemand hebben? Zoo als 't nu stond leek de kans al héél gering. En ze wist het nu zoo zeker en zoo goed, dat dit haar éénige groote verlangst was: wezens om lief te hebben, om lief voor te zijn, een vriendinnetje om mee gearmd naar school te gaan, om te helpen bij haar huiswerk, bij haar handwerktaakjes, zooals ze het Truus en Cato had gedaan, want zij was vlug en handig, om alles te vertellen en alles van te vernemen, om mee te wandelen en te stoeien en uitgelaten mee te zijn....
En dan dacht ze weer aan Esther, aan dat leven van haar zuster, waarvan niemand nu iets meer wist. Zou die nu gelukkig zijn? Getrouwd met een ouden, rijken man, zeiden ze. Niét getrouwd, had ze ook hooren zeggen, en zoo maar met hem reizend en levend. Wat moest dat voor een bestaan wezen? Kon het haar ooit gelukkig maken? Esther wou wel altijd graag rijk wezen, ze was altijd trotsch geweest tegen de buurtkinderen en later oDk tegen haar.... Nu zouden ze elkaar misschien nimmer terugzien....
ze altijd weer schreien,
iter, maar een van haar
Bedacht ze dit, dan moest
uit een vreemde, schrijnende smart, die niet was
liefde tot haar verdwenen zu!
154