en naar bed. Er klonk geen groeten meer, noch gerucht van voetstappen. En de wind was feller opgestoken en ruischte met zwaar gerucht door het duistere olmenloof.
En nu verstierf ook 't stemmengeroes beneden naar de winkeldeur toe. Vader liet Moos uit, de deur rinkelde dicht en vader slofte weer naar achter. Daar hoorde ze het kreunend kraken van den rieten leunstoel, waarin hij zich neerliet, om zijn gestoorden dut te hervatten en een paar maal het krassend geluid van keelschrapen. Eenige tergend-lange minuten was het daarop volkomen stil en dan begon het weer, het zachte snurken van den slapenden man nauwelijks hoorbaar door de zoldering heen. Maar Esther had 't gehoord. Een heerlijk warm gevoel van ontspanning gleed door haar heen. Nu weg, voordat Daniël kwam, voordat Roos kwam.... nu weg, en nooit meer terug....
De duistere smalle trap snel af op den tast, de donkere achterkamer op de teenen door met schichtigen blik naar slapenden vader, den winkel door waarin de straatlantaarn van de overzij af stil-bleek geschijn wierp.... stil en voorzichtig de deur open — den kleinen klepel van 't belletje vast in de hand om ieder geluid te smoren — dan naar buiten en onder de in koelen avondwind bewogen olmen, door het verlaten, slapende buurtje, wèg.... wèg....
Dien nacht bleef ze bij de Naumanns slapen en den volgenden morgen kwam Van Gulik. Hij beloofde, dat ze zoo spoedig mogelijk zouden trouwen en nam haar onverwijld mee op reis.
Vaal en vreugdeloos verliepen de herfstfeesten het jaar na moeders dood.
Het was ook een slechte herfst, nat en ruwaardig, die 't olmenloof vóór zijn tijd verflenste en doorweekte, zoodat wat omstreeks October nog over was,
150