Maar Esther wrong om vrij te komen, óók heesch fluisterde van néé.... néé.... en ״laat me los...." Want ze durfde niet schreeuwen om vader en omdat de winkeldeur openstond. Er kon een klant komen, vader kon wakker worden.... o, god, o god, dan was ze weg. Liet hij haar maar los, die jongen, wat was hij sterk! Razend leek hij wel. Z'n hijgende stem fluister-smeekte voortdurend om éénmaal maar en zijn armen hielden haar stevig omklemd.
Een gloeiende schrik sloeg door haar heen; al worstelend in 't duistere hadden ze tegen 't winkeltrapje gestooten, dat kantelde en viel voorover met een slag tegen de toonbank aan.
„Denk aan vader.... denk aan vader," heftig fluisterde Esther...., „laat me los."
Maar de jongen, dol getergd, blééf maar aandringen, eerst een zoen.... éénmaal maar....
En Esther dacht even aan toegeven, om er daarna af te zijn, in dollen angst voor vader, voor een klant, die komen kon.... Maar ze walgde nu van dien woesten jongen, van zijn adem, die heet over haar wangen streek en in een laatste woedende poging om los te komen, riep ze, zich vergetend, luid, hijgend uitstootend het gehate woord....
„Jóód.... Jóód... . laat me los.... ik laat me niet zoenen door een Jood."
De vader stond in de deur. Hij kwam den duisteren winkel in met een enkelen stap. Moos, bevend en bleek, met schuwe oogen, z'n gezicht vertrokken, z'n kleeren wanordelijk, had 't meisje schielijk los gelaten. Buiten waren net de lantaarns aangestoken: één, tegenover den winkel, wierp z'n stil, bleek licht door het raam over de kleurige uitstalling in 't etalagekastje. ...
„Wie riep hier Jood?" vroeg de vader, met een stem, zoo zwaar van toorn, dat Esther sidderde.... „Deed jij dat?"
147