trage weergroet nog droomeriger achter de duistere olmen vandaan.
Moos zat achter de toonbank in het duister en zijn hoofd lag voorover op de bruine toonbank, of hij sliep. Rakelings schoof Esther langs hem heen, om als heel achter in 't winkeltje wat te zoeken; ze bukte zich op de hurken, haalde van de onderste bergplank een paar doozen met knoopen naar voren en ging daarin zitten scharrelen, of ze iets zocht, dat niet makkelijk te vinden was. 't Kletteren van de knoopen was 't eenig gerucht in 't warme, duistere winkeltje; uit de achterkamer klonk gedempt vaders zagend snurken, en buiten in den zomerschen avond was voortdurend de vredige roezemoes van groet en weergroet, van slenterende voeten en kalmen buurt jeskout. Door 't olmeloof schuifelde zacht-koele wind.
Esther keek van uit haar bukhouding den jongen op zijn gebogen rug en ze voelde dat hij niet sliep, en niet sufte, hoe roerloos hij zich hield. Hoe lang duurde dat nou al met die verliefdheid? Toch wel aardig, dat bleek-worden telkens als ze in den winkel kwam, dat beven van z'n handen, het bewonderende kijken. Onbewust roerden haar vingers tusschen de knoopen, grepen er van, lieten ze langzaam kletterend terugvallen in de doos....
Een schok van schrik.... Moos was opgesprongen en had zijn taboeret met een woesten trap tegen de toonbank geschopt.
Hij keerde zich naar haar om en voordat ze zich had kunnen oprichten, had hij z'n armen om haar heengeslagen en probeerde haar te zoenen. Ze voelde het beven van zijn lijf en de kilte van zijn handen door haar dunne bloese heen, ze hoorde zijn zwaar-hijgend ademen, en ze wrong haar hoofd opzij en achteruit, om haar mond te onttrekken aan zijn zoekende lippen.
״Toe nou.... toe nou," fluisterde Moos, ״laat me nou.... laat me nou éénmaal...."
146