daar wilde ze niet eens meer aan denken, maar 't armbandje, 't soepele ketentje van dunne glanzende schakels, verborgen in de zachte watten van een doosje, dat weggestopt stond onder haar bed, dié schat bleef, was altijd te bekijken, te betasten, en als ze uitging, deed ze 't koele, glanzende goud met wellust om haar pols heen. Als ze trouwde, zou ze dagelijks moeten ondergaan de kussen.... en dat van het priëel en nog erger...., maar dat zouden momenten zijn, kort en vluchtig en voorbijgaand, niets-beteekenend bij het onmetelijke geluk van den rijkdom, de schittering, die haar wachtte. De reizen, de toiletten, het wonen in een weelderig huis, bovenal het benijd-worden, door wie minder bezaten, het kunnen verachten en vertrappen op haar beurt — en dat leek haar het begeerlijkst van al — dat alles woog zoo ruimschoots op tegen het moeilijke, het walgelijke, dat het wikken-zelf al dwaasheid scheen. En dat niemand haar meer Jodin schelden zou — omdat niemand zou weten — maar dat zij, op haar beurt, uit hare hoogte van met een rijken Christen getrouwde vrouw, mèt hen op dat verachte Jodenvolk zou neerzien! Ze zou wèl oppassen, dat geen sterveling ooit iets merken zou van haar afkomst!
O, als ze nu toch maar durfde, als ze toch maar besluiten kon, er vader over te spreken. Maar hoè bang ze was, dat voelde ze eerst recht, wanneer vader haar soms donker aankeek bij het thuiskomen. Dan die felle, plotse hartslag van vrees, dat hij iets weten zou. dat iemand hem had overgebriefd haar verhouding tot Van Gulik. Toch was de kans daarop gering, ze vertoonden zich zoo goed als nimmer in 't openbaar. Van Gulik hield niet van wandelen; als ze bij de Naumanns waren, zat hij gewoonlijk te lezen of te schaken met Naumann, maar als Lizzie en Gerrit dan uitgingen, of wanneer Gerrit er niet was, Lizzie met haar moeder, en Naumann ging slapen, dan
143