Dan lag ze woelend te nijdassen in haar bed, den mond vertrokken, de handen klam-warm, onophoudelijk keerend en schuddend het kussen, waarop ze haar gloeiende hoofd niet tot rust kan krijgenn, zoodat Roosje naast haar zich knorrend bewoog in haar rustigen slaap. De onrust joeg haar dan den hartslag hoog in de keel: de onrust, dat alles wat ze zoo gloeiend begeerde, waarop ze reeds rekende als op een vast-toegezegd bezit, dat alles haar nog zou ontgaan.
Want mevrouw Naumann had gezegd, zei het haar herhaaldelijk, dat ze verkeerd deed en onvoorzichtig den tijd te laten voorbijgaan. Zag ze niet, dat Van Gulik ongeduldig werd, merkte ze niet hoe hij aandrong op een beslissing, op een oplossing? Zóó kon het niet voortduren. Hij gaf haar cadeautjes, lekkers, snuisterijen; hij was lief en vriendelijk tegen haar, en Wat kreeg hij daarvoor terug? Ze wist er niets op te zeggen. Mevrouw had gelijk. En ze wilde ook wel trouwen. Ze had gerild onder den eersten mondkus, ze rilde er nog steeds onder; al werd ze verteerd van weelde-begeerten, die alles overheerschten, ze gaf toch nooit zonder weerzin zich aan de gulzige lief-koozingen van dien verleefden ouden man. Maar de liefkoozingen gingen voorbij en de rijkdom bleef, voor het fijne gouden horlogetje, — dat ze thuis verborgen droeg onder haar kleeren op de bloote borst, maar dat ze evenwel in de momenten van verveling en walging tegen 't huiselijk leven voelde als een verborgen belofte en waarvan het begraven getik op haar borst haar liefste muziek was, voor haar alleen hoorbaar, daarvoor had ze zich laten zoenen, o, het was vreeselijk geweest, maar het was voorbij gegaan. En 't horlogetje had ze, voor altijd en heelemaal van haar-zelf. Een gouden armbandje bezat ze óók, en wat ze daarvoor had moeten goedvinden, in het donker van 't priëel, waar ze alleen zat met hèm,
142