en zonder Sjeimets was gestorven. Ze was altijd zoo helder geweest, ze zou zelf hebben kunnen meebidden, wat een bijzondere genade is. Ook Daniël voelde een smartelijke ontroering bij de gedachte aan dat eenzame doodsuur zonder ״Sjeimets". Hij nam zich voor tot zijn dood toe het „Kaddisj" voor haar te zeggen, de bede-om-rust, die men voor nabestaanden zegt, op den jaardag van hun overlijden. Wat er ook mocht gebeuren, waar hij toe zou komen, dat zou hij nooit veronachtzamen, heilige plicht zou het hem blijven tot het einde zijner dagen.
Ze begroeven de moeder op de kleine Joodsche begraafplaats, veraf naar buiten, tusschen weien en slooten en verre, drassige landen; de naaste buur bracht ze het rouwmaal van brood en eieren en daarna zaten ze op den grond en treurden, zeven dagen achtereen. En scheurden zich de kleeren, naar voorschrift.
Na de sjiwwe-week ging Jozef weer naar Amsterdam. Gedurende het Owel-jaar, het volle jaar van rouw, zouden ze geen van allen eenige feestelijkheid mogen bijwonen. De vader drukte het Jozef gestrengelijk op het hart, eer de jongen vertrok.
Van toen af werd de vervreemding merkbaar en openlijk, en de ontbinding van het gezin ving aan.
De sjiwwe-week was voorbij gegaan, de sjolou-sjiemmaand was verstreken; een na een wentelden de dagen weg, het voorjaar keerde weer. En ieder deed zijn werk en ging zijn gang en niemand moeide zich met den ander. Vader was na moeders dood stiller, meer in zichzelf gekeerd dan hij ooit was geweest, En daarbij had hij nu vaker zijn buien van norschheid en prikkelbaarheid, en voortdurend sterker drong aan den dag zijn vroeger door goedigheid bedwongen heerschzucht. 't Was of die nu pas tot volle uiting voor de kinderen tot vollen hinder kwam. De meisjes verdroegen niets meer zonder te
137