hadden dolle pret. Als zij daar dan achter liep, zoo heel alleen, dan kon ze soms zoo verlangen naar óók een vriendinnetje, om mee gearmd naar school te gaan. En dan kwam ze op het plein bij de meisjes van haar klasse, die daar liepen voor dat de school begon, een hééle rist en allemaal gearmd. Dan ging ze er ook maar bijloopen, en ze joegen haar niet weg, maar ze vroegen haar óók niet om in te haken en ze bleef aan 't einde van de rij, liep er los bij, werd niet in 't prettig gesprek gehaald, voelde zich zielig en soms ook gekrenkt, maar had niet den moed dat te toonen en alleen te blijven.
Alleen als ze matse had of Jodenkoek, werd ze in 't midden gehaald, namen de meisjes haar tusschen zich in, deden knus-vriendelijk. En al wist ze waarom het was, het maakte haar evenwel blij en gelukkig. Ook beantwoordde ze dan al hun spottende vragen naar Joodsche gebruiken, maar hortend en met 't gevoel dat ze uit lafheid iets onbehoorlijks deed, en ze hield zich of ze de schampere woordjes, de spot-proest j es niet hoorde. Waarom waren ze toch zoo kinderachtig? Wat deed het er toe, hoe je thuis leefde en wat voor feesten je vierde en wat je at en dronk?
Waarom vertelde Marytje Bos aan iedereen, dat Joden hun aardappels kookten met suiker, terwijl haar moeder jarenlang bij hen aan huis gewerkt had en altijd gewoon eten gekregen? Dat was toch gemeen, dat was toch liegen. Van alles hoorden ze haar uit en of ze ״ja" zei, of dat ze „nee" zei, ze hadden altijd wat te lachen. Meester in de klas had gezegd, dat Joden even goed menschen waren als Christenen, welnou, waarom deden ze dan zoo?
Nu had ze zoo gehoopt op de Normaalschool. Daar zouden allemaal nieuwe meisjes zijn, vreemde meisjes van buiten, die haar niet kenden, meisjes uit beteren stand, die misschien betere manieren hadden. Wat
133