op de heele wereld houdt er niemand van mij."
„Malligheid," zei de moeder, „en wij dan, vader en moeder en je broers? Is Daniël niet altijd even aardig? Heeft Jozef niet pas een zilveren bedelarmband voor je meegebracht?"
„Och jawel," zei Roosje, dadelijk gekalmeerd, haar oogen bewrijvend met je zakdoek, „hier tehuis dan wel, maar buitenshuis verlang je óók wel 's naar iemand die lief en aardig voor je is! 't Heette dan altijd, dat ik liefst bij de minne kinderen speelde, maar niemand anders wou ook met me, en ik kan niet alleen spelen, dat kan ik nou eenmaal niet.... als ze dan zoo een plezier hadden samen, dan wou ik óók plezier hebben, óók erbij.... maar tegen mij waren ze toch heel anders! Zoo zal het nou op die nieuwe school, als ik er kom, ook wel weer gaan! Dat zult u zien!"
De moeder zuchtte en wist niet, wat ze verder zeggen moest.
„Daarom vind ik 't ook zoo saai, dat van Sjabbes thuis blijven. Jassus. Altijd anders zijn dan de anderen! En iedereen kijkt je er op aan. En niemand, die echt van je houdt! Hè, als ik toch maar één leuk vriendinnetje had, die veel van me hield, dan kon me de rest niet eens zoo erg meer schelen."
Ze ging bij 't raam staan en dacht even heel diep na over haar eigen woorden. Ja, dat was wel een van de heerlijkste dingen, die je hebben kon, een aardig vriendinnetje, om leuk mee te wandelen, om pleizier mee te maken, om alles te vertellen, alles wat je had te laten kijken. Leuk! Ze zag wel eens 'n paar meisjes van de burgerschool, uit de tweede klas, die liepen altijd te zamen, ze haalden mekaar van huis en gingen dan naar school, prettig gearmd, of de armen om eikaars middel. Ze hadden altijd wat te praten, te fluisteren, leuke geheimpjes natuurlijk, ze lieten mekaar soms prentjes en briefjes kijken en
132