er met hand en tand tegen verzetten moet. En dat zal ik dan ook wel probeeren!"
„En bij jou thuis zijn ze orthodox?"
„O ja, m'n vader en m'n moeder, allebei."
„Dat kon dan nog welleris spaak loopen."
Daniël antwoordde niet.
Ze stonden op, betaalden en gingen. Ze waren de laatsten. In den duisteren regenavond kwamen ze buiten.
Op 't Frederiksplein gingen ze uit elkaar.
„Ga je nog met ons?" vroeg Hein.
„Nee," antwoordde Daniël, „'k Moest nu maar naar huis trekken."
„En onze afspraak blijft op Dinsdag?"
„All right." Daniël liep de Jodenbuurt in en at er in een slagerswinkel een droog broodje met zout vleesch. Hij was gelukkig, omdat hij zijn moeder precies zou kunnen vertellen, wat hij gedaan had, zonder dat ze verdriet zou hebben.
XXIV
Het stadje waar de Lehrens woonden en meer nog de omliggende boerendorpen, hadden zich de laatste jaren sterk uitgebreid. Het aantal scholen was gestegen met het inwoners-tal en de laatste aanwinst was de nieuwe Normaalschool.
Roosje Lehren zou daar heengaan en er worden opgeleid voor onderwijzeres. Zij en Esther verdroegen elkaar den laatsten tijd minder dan ooit, omdat Esther voortdurend norscher en bitser, Roosje daartegenin te prikkelbaarder werd. Die kibbelpartijen den heelen dag, waarover Roosje dan telkens heftig berouw voelde, verveelden en ontstemden den vader, en deden de krachten van de zwakke moeder voortdurend afnemen. Roosje was wel een goed en hartelijk kind, maar ze had zóó weinig zelfbedwang, dat
129