lijk en in sommige aangeboren eigenaardigheden. Die lappen den heelen boel aan d'r laars. En de anderen, die ook niet in de sleur blijven kunnen, die wat tastbaars vragen, zoodra ze denken kunnen, iets daar ze wat aan hebben, die loopen er even hard uit. Ach, en dan kan je nog wel met weemoed verlangen naar de Joodsche feesten en naar al die oude dingen, maar zoodra je geen kind meer bent, dan wordt het toch allemaal even leeg en triest, en teleurstellend. Want je voelt zoo akelig duidelijk, dat er niets onder zit, Dat is het, zie je, er zit niets onder. En dat verlangen, dat terugverlangen, waar mijn moeder altijd van praat, en dat volgens haar alle Joden zouden hebben, die er uit zijn gegaan.... och. ik geloof, dat is niets anders dan andere verlangens naar andere dingen, die je in je kinderjaren hebt beleefd."
„Ja," zei Hein, „dat geloof 'k zeker. Dat lijkt me tenminste heelemaal niet speciaal-Joodsch".
„God kerel, dat heb ik immers óók," vertelde Van der Wals, „je eerste communie, en een Zondagsche mis, en processies, die je gezien hebt, dat vergeet je nooit. Dat 's precies 't zelfde. En naar al die dingen kan je wel degelijk terugverlangen. Dat hangt er maar van af of je daarvoor sensibel bent of niet. Maar dat moet je niet verwarren met geloof!"
„Dus wat jij mist," kwam na even nadenken Frikkers weer, „wat jij dan mist in het Jodendom, dat is een basis, een Joodsche eigen moraal of een apart Joodsch beginsel?"
„Juist," knikte Daan. „Dat is het. Zooals 't nu is, moet je eigenlijk al die dingen kunnen doen zonder erbij te denken. Nou, en dat kan ik niet. Maar daarom ontken ik niet, dat 'k er nog met allebeide beenen middenin sta. Integendeel, dat heb jullie gemerkt. Maar dat zijn vooroordeelen en ik vind dat ik daaraan niet moet toegeven: nee, ik vind juist, dat ik me
128