genaamd niet meer aan doen, dat zijn juist niet de menschen, die nadenken, maar dat zijn die onverschillige lammelingen, die laffe kerels, die niet weten willen dat ze Joden zijn, en die zich indringen bij de anderen, opdat die 't ook maar zullen vergeten. Maar die voelen dan tegelijk ook niks voor het mooie en het heilige van het Jodendom, voor de geschiedenis, voor de symbolen. Die lui zeggen, dat ze ״modern" zijn, zie je, maar dat's kletsen...., 't zijn kerels van niks, die nergens anders voor leven dan voor centen en plezier. En de anderen, die gelooven, dat ze in de hel moeten als ze spek eten, dat's de groote hoop, die overal 't zelfde is, die overal in bedwang wordt gehouden door vrees, hier voor de hel, en daar voor 't vagevuur en voor de eeuwige verdoemenis en ergens anders weer voor wat anders...."
Hij zweeg. Ze zwegen allemaal. De juffrouw haalde borden en schaaltjes weg; verbaasd om hun ernstige allure, keek ze van den een naar den ander, maar zeggen deê ze niets. Van hun tafel af liep ze naar de andere, waar de oude kerel met z'n wilden witten kop voorover op lag te slapen. Ze stootte hem tegen den schouder, gewend en onverschillig ruw:
„Kom hoor, je mot vort, je kan hier niet leggen slapen."
Met een grom schrok de kerel uit z'n dommel overeind, keek verwezen de juffrouw in 't gezicht.
„Je mot vort," herhaalde ze luider, wat ongeduldig. Dat gemier altoos, 't Was hier geen slaapstee, wat dochten ze wel.
Spiedend naar meer mogelijke ongerechtigheden, gleden haar blikken door 't lokaal, waar nog maar hier en daar iemand zat te eten. De vier oude ambtenaartjes lazen rookend met oplettende aandacht ieder een stuk van 't „Nieuws".
't Was nu stil in de rooderig doorlichte ruimte; 't gerammel van vaatwerk, dat werd omgewasschen,
126