zoo'n eeuwig nuchtere kerel! 't Zijn ten slotte allemaal gevoelsdingen, waar Daan?"
„Maak je mij niet wijs! Als eten ook al een ge-voelsding is, nou!"
„Ach nee," kwam Daan aarzelend, toch willend uitleggen, „in theorie hecht ik er ook allang niet meer aan. Alleen, 'k heb 'n afkeer nog van sommige dingen. Als je van jongsaf geleerd hebt, spek en zoo als onrein te beschouwen, dan is dat toch zoo'n wonder niet, hè?"
„Goed," gaf Frikkers toe, in toon van rustig-zakelijk debat. Hij schoof z'n bakje van zich af en zette zich tot op-z'n-gemak-praten. „Daar kan 'k inkomen. Maar als jiij nou dien afkeer niet had zou je 't dan eten?"
„Och...." ontweek Daan, „dat is zoo moeilijk ineens te zeggen."
„En nou's wat anders. Zouën ze je dat nou èrg kwalijk nemen, je familie, en de.... de dominee, of hoe noem jullie dat?"
Daan glimlachte even. De eerlijke, kalme manieren van den ander trokken hem aan, zetten hem op z'n gemak, maakten hem williger tot praten.
„De Rebbe," zei hij, „maar die heeft bij ons al bitter weinig te zeggen."
„Dat's dan anders dan bij jullie, waar Teun?" Hij bukte zich om Van der Wals in 't gelaat te zien.
„Ja, bij ons is heer-oom pastoor de baas! En daar kom je om den dood niet makkelijk onder uit!"
„Dié houden d'r zieltjes behoorlijk bij mekaar, dat's een feit," vond Biekcr.
„Ja, maar waarom?" zei Van der Wals, levendig „omdat ze politiek zijn, omdat ze water in d'r wijn doen! 'k Heb 'n vrind, de kerel is goed Roomsch, beter dan ik, hoor! Geregeld biecht-ie, z'n Paschen houdt־ie, z'n broer studeert voor pastoor, z'n andere
124