Ze wierpen allemaal hun gave in de grove glimmende hand van de juffrouw en die beloofde, dat ze daarvan ook morgen en overmorgen nog wel den ouden stakker zou te eten geven.
״Geef jij 'm je bakkie snert!" spotte Krul tegen Daan.
״Waarom eet jij toch niet?" ״'k Mag dat immers niet eten," geprikkeld, nerveus flapte de jongen het eruit.
Verbazing. Dan begreep ineenen Hein. Maar hij lachte niet, hij stamelde verlegen:
״God kerel, ik dacht er niet aan...., neem 't me niet kwalijk."
״Ben jij nog van die krachten?" spotte Krul, met z'n scherpe stem.
De jongen voelde zich gloeiend-verlegen onder de algemeene aandacht. Frikkers keek hem aan, verbaasd, zonder spot, met de belangstelling die hij voor een merkwaardig dier of een vreemde plant zou hebben getoond. Diep-verbaasd vroeg hij:
״Mag je dat nou waarachtig niet? En waarom niet?"
Daan voelde z'n belangstelling ongeveinsd, z'n bevreemding echt....
,Nee," zei hij, gewild-sterk, ״en 'k wil het ook niet."
״Dat wil er nou toch waarachtig bij mij niet in," betoogde de ander, in z'n gemoedelijk-verbaasden toon, ״en zeg eris, je :neemt me niet kwalijk, dat ik er even mee doorga, hè? Maar houën jullie Joden je daar nou allemaal an?"
״Een heeleboel tenminste," antwoordde Daan.
״Nou zèg," schetterde Krul, ״dan mot-je 's op Zaterdagavond in Mille-Juifs komen, dan zie je wel beter!"
״'k Snap 't niet," herhaalde Frikkers met traag hoofdschudden.
״Ja, maar," weerlegde Hein, ״jij bent nou ook
123