je meteen kennismaken met de andere lui, dat's leuk voor later."
Daan antwoordde niet. Hij zette z'n hoed op en ging mee de trappen af, het huis uit en de stad in. De prille voorjaarslucht was schraal en frisch, die koelde lekker om z'n verhitten kop.
Redeneeren was makkelijk, maar doen, maar doen. Spijswetten waren verouderd, hadden nimmer iets met Goddelijkheid te maken gehad — hoe konden volwassen menschen gelooven aan een Opperwezen, dat zich bemoeide met de samenstelling van een menu! — maar verboden dingen eten ging zoo gemakkelijk niet. Hij voelde het wèl: deze eerste „treifene" maaitijd was de verwerkelijking van een besluit, dat daardoor pas onherroepelijk werd, was de breuk tus-schen hem en zijn Voorouders, zijn grootouders, zijn ouders. Hoe toch zou hij ooit weer aan den wonderlijken Rabbi Akiba kunnen denken als vroeger, en wat zou hij vanavond zijn moeder zeggen, als ze vragen zou, wat hij gedaan en waar hij gegeten had....
XXIII
Plotseling begon het te regenen. In een oogenblik glimmerde het grauwe asphalt en dropen de paraplu's der zich snel voortspoedende voorbijgangers. De drie sloegen hun jaskragen op en liepen onverstoord verder. Uit de portieken waar ze haastig weggescholen waren, spotten juffrouwen-zonder-paraplu en kantoorheertjes in kale jasjes ze achterna.
Ze waren al gauw de dwarsstraat in, waar de trieste schemer neerhing tusschen de oude huizen, waar de keien glibberig waren van modder. Voor den blinden, vuilen gevel van een krottig pakhuis stond een rijtje leege handkarren in den kletsregen
119