van naargeestige verveling, 't uitvieren van kleine wraakjes en kleine oogendienarij en kleine zelfzucht in 't verdeelen en wegschenken der Mitswe's, de gewijde kerkelijke plichten, de vervulling waarvan een ongerepte eer aan de waardigste moet zijn een heilige vreugde. Hij had immers al zoo vaak opgemerkt, dat ze een arm man lieten staan zonder ״Minjan" in Sjoel, als hij de rust afbad voor zijn gestorven ouders, dat ze den Rebbe in bedwang hielden met hun fooi, de „metono", en dat hun eenige zorg scheen het vermijden van wat ze noemden „Gillel Hasjem", hetwelk beteekent: de schending van Gods Naam — in waarheid niets dan laffe vrees voor opspraak door het openbaar worden van hun kleine schendingen en onderlinge ruzie.
Was niet altijd de Joodsche gemeente — die zich Kille Koudesj, heilige gemeente heette! — verdeeld geweest door kleinzielig krakeel en benepen wangunst?
Wreekte zich niet de „parnes", de „Heer-der-Gemeente" op de kleine Jodenjoggies, die hem „druipneus" nariepen door hun in sjoel de mitswe van het vastgrijpen der wetsrollen te onthouden, welke voor de kinderen bestemd is, en Boom des Levens heet?
Niemand scheen het te hinderen, geen mensch leek het op te merken: hij alleen zag alles, hem alleen griefde iedere ontwijding van het Geloof, dat zijn onverdeelde liefde had gehad en waarvoor velen der Voorouders martelaar gestorven waren. Voelde geen enkele Jood dan meer den levenden trots, omdat het Oude Testament, het Jood en Christen heilige boek, hun eigen Vaderlandsche Geschiedenis was?
„Zit je nou al Latijn te poeren?" vroeg Dries Bie-ker. „Kerel, je hebt een kop als vuur."
„Laten we 'm smeren, zeg" vond Hein Bonten, „'t Is nou droog buiten en hier is 't knap benauwd. Dan wandelen we zoetjes aan naar Riche. Dan kan-
118