noemde. Rijk wilde ze zijn en voornaam, luxe begeerde ze fel en voortdurend, maar meer nog den omgang met deftige Christen-families.
Ze was niet vergeten wat jaren geleden de statige vrouw van den burgemeester had gezegd, dat ze geen Joden-type had. Nooit meer daarna was ze er aan huis geweest en als ze de kinderen ontmoette — wanneer ze thuis vertoefden met vacantie, want de jongen was op het gymnasium en het meisje op kostschool — dan groetten ze niet en keken haar minachtend aan, omdat ze de kleeren van Lizzie Naumann droeg. Nijd was het anders niet, nijd omdat ze toch naar boven kwam, toch met rijke menschen ging en mooie kleeren droeg, valsche nijd was het, omdat de Jodin ze nou uitlachte. Want dat dééd ze, ze lachte ze in hun gezicht uit, die en alle maal, als ze ze ontmoette. Lotte Koning, die pas verloofd was met den langen, blonden Hans en nog meer scheen te geuren met z'n adelborst-pakje dan hij-zelf, wat kon die haar spottend aanzien! Wacht maar, eer ze er aan dachten, zou zij óók verloofd zijn, eer iemand er idee op had, en wel met een rijken, voornamen heer, en lekker geen Jood, tèch lekker geen Jood.
Hoe ze op hun neus zouden kijken, allemaal, hoe er over gepraat zou worden, in de vacantie's, als van alle scholen de oude bekenden thuiskwamen! Toestemming van vader was noodig, had mevrouw Naumann gezegd. Ja, daar lachte ze wat om. Desnoods liep ze gewoon het huis uit. Dan zouden de Naumann's wel voor haar zorgen. Die meenden het pas goed met haar! Lieten ze haar niet vóór Lizzie gaan? Die was ouder dan zij en zag er heel lief uit óók. En toch wilden ze haar met den rijken fabrikant laten trouwen. Ze had er met mevrouw over gesproken en die had gelachen en gezegd, Lizzie kreeg wel een ander, die had immers veel geld, maar voor haar
110