XXI
Met blijen spoed kleedde Esther zich aan, om naar het dejeuner te gaan, waarvoor ze was genood. Vader ging uit en moeder had niets in te brengen, 't hatelijk huiswerk was gedaan, er stond eten van gisteren, genoeg voor Moeder, Daan en Roosje. Roos moest het maar opwarmen, als ze uit school kwam. Ze was toch veel te groot om na twaalven op straat te spelen, al stelde ze zich aan als een klein kind, die meid van dertien jaar. 't Zou haar tegenvallen, lekker, zij moest wel alle dagen jakkeren, nou Roos óók eris. Nou Roos ook eris thuis komen en een berg werk vinden. Ze zou wel weer klagen tegen vader, zeggen dat ze geen tijd had gehad om d'r werk te maken, en dan zou vader wel weer te keer gaan. Maar dat was van later zorg. Eerst kwam dat dejeuner, waarvoor ze zich bijzonder mooi maken moest, waarvan ze zich bijzonder veel voorstelde, en daar wilde ze nu alleen aan denken.
Want Elsa Naumann, Lizzie's moeder, met wie ze langzamerhand heel intiem was geworden, veel intiemer dan met de bloode Lizzie-zelf, had haar gesproken over een héél rijken heer, een fabrikant, dien ze er vandaag ontmoeten zou en waarvan mevrouw Naumann wist, dat hij trouwplannen had. Hij scheen er haar meer dan eens over te hebben gesproken; hij had haar ook gezegd, dat het een heel jong en mooi meisje moest wezen, die zijn vrouw zou worden. Geld en naam deden er niet toe, om den naam gaf hij niet en van het geld had hij zelf meer dan genoeg.
Esther had, zoo jong als ze was, het laatste jaar heel veel over trouwen gedacht en gesproken. Dit stond al bij haar vast, dat ze nooit een Jood zou trouwen. Want ze wilde juist trouwen, om weg te raken, heelemaal en voorgoed, uit wat ze in zichzelf allang niet anders meer dan den ״Jodenrommel"
109