op Sjabbes.... en met zooveel andere dingen... .
ik kan het niet helpen, moeder----dat ik er niets
meer voor voel, dat ik niet kan begrijpen, wat er voor kwaad in steekt...."
En de jongen sprak verder. Hij verklaarde, wat plotseling hem-zelf klaar was geworden, dat de Joden-zelf hem hadden vervreemd van het geloof, door hun wanbegrip en hun onwetendheid. Hij vertelde, hoe hem tegenstond de leege, doffe sjoeldienst, iedere week volbracht als een wijdinglooze plicht, de sleur der dagelijksche gebeden en bovenal het sluwe schipperen met al te lastige en belemmerende voorschriften. Hij sprak over het ontheiligende der zoogenaamde Sabbathheiliging, die woog als een last, over de rompslomp van onbegrepen vormen, terwijl van de schoonheid der Symbolen niemand meer iets scheen te voelen en te begrijpen.... over de onwetendheid en de onverschilligheid, de starre domheid, de bekrompen heerschzucht, die van de Joodsche Wetten een wegende en worgende keten hebben gemaakt.
Alles wat hij de laatste maanden had bepeinsd in lange uren brak plotseling los in een stroom van heftige, gloeiende woorden. En ineens was het alles gezegd, wist hij niet meer: hij hield op en wachtte zijn moeders antwoord. Maar de moeder zweeg.
„Bent u nou boos?"
„Boos? Omdat je eerlijk zegt wat je denkt en wat je voelt! Eerder heb ik medelijden met je. Begrijp je dat?"
„O.... zoo goed! Ik heb ook medelijden met mezelf .... Hun kan het niet schelen, hun raakt het d'r kouwe kleeren niet, maar mij hebben ze zooveel moois afgenomen...."
Snikkend liet de neergezonken jongen z'n hoofd op z'n moeders handen vallen.
108