haar sentimenteel te noemen? Zij was voor wat ze zag of las, zoo gauw tot waardeering, tot geestdrift zelfs geneigd —, hij bleef bedachtzaam en koel-kritisch tegenover alles en vond ten slotte maar héél weinig dingen de moeite van zijn waardeering waard. Dat was toch wel héél voornaam en groot en duidde op een fijnonderscheidenden geest. Den dag na haar ongelukkigen feestavond had hij haar schamper gezegd dat haar vriend van dien avond haar voor den gek had gehouden en achter haar rug om haar lachte —, ze had zich boos gemaakt, niet willen erkennen, maar de uitkomst had hem gelijk gegeven —, ze wist door Otto, hoe hij in Annie's kring geringschattend over haar had gesproken — stond Ëgbert dan niet ook in doorzicht en verstand boven haar? Hij kon haar in hun twisten wel scherp wonden en helsch maken met de vraag uit welk boekje ze haar wijsheid haalde en verweet haar, dat ze altijd geloofde, die het laatst gesproken had —, maar in eenzaamheid vroeg ze bang en benauwd zich af, of hij ook daarin niet gelijk had ? Ze was al door zooveel heengegaan, zooveel malen van uiterste tot uiterste geslingerd. Elk boek, dat met vuur en innerlijke kracht was geschreven, bezat de macht haar op staanden voet te overtuigen, haar gedachten geheel te vervullen, zoodat ze aan wat ze kort tevoren had gelezen en geloofd weer twijfelde. Ze was van een woeste, dronken verrukking om Nietzsche's ״Anti-christ" tot een weeke, dwepende vereering voor de „Imitatio Christi" gekomen, den eenen dag leek haar de heele menschheid laag en boosaardig en de bijbelsche Erfzonde van die boosaardigheid en laagheid het waarachtig symbool —, den volgenden dag geloofde ze in 's menschen ingeboren goedheid en in Rousseau —, ze geloofde met de geloovigen en twijfelde met de twijfelaars, loochende met de loochenaars en vond te midden van die verwarring zichzelf en haar eigen meeningen niet meer terug. Ze peinsde dagelijks over de vrijheid van haar wil en kwam dagelijks tot een ander besluit. Ze had van kind af en als van nature eiken vorm van beperking en dwang verfoeid —, nauwelijks had ze het verhaal van Socrates' gevangenschap gelezen of ze gloeide van eerbied voor den man die zelfs de slechte wet niet schenden wilde en voelde ten volle de hoogheid van die daad —, het was haar fierheid geweest, dat ze geen beleediging verdroeg —׳, niettemin huiverde ze van bewogen ontzag als ze las, hoe eindeloos grooteren dan zij beleedigd waren en geglimlacht hadden. Ze las met matelooze gretigheid, in een koortsigen drang naar licht en begrip, zonder
83