wanhopig wantrouwen werd ze zich plotseling klaar bewust —, dat hij opzettelijk met ruwen overmoed en geringschatting te ver ging, dat hij niet met een andere vrouw zou durven, wat hij deed met haar. En hoe waren ze toch in eens zoo ver gekomen ?
״Zouden we het kaartje van mevrouw Ruyssenaers niet ook bij de onze leggen 1" Ze hield het hem voor in haar hand, maar hij ontnam het haar haastig:
״O, neen, dat gaat niet, dat zou ze stellig niet goedvinden."
Het brandde haar bitter op de lippen, te vragen ״waarom zij niet .— en ik wel?" — maar het kon niet —, ze kon hier met dien vreemden jongen geen tragisch en zwaarwichtig gesprek beginnen — en ze wist het wel, van zichzelf, het werd dadelijk tragisch en zwaarwichtig bij haar — na alles, dat ze had aanvaard en waarin ze had toegestemd. Ze kon ook nu niet plotseling weigeren met hem aan te zitten. ' Want met wien dan wèl ? Met Egbert, die haar geërgerd, hoonend ontvangen zou? Met Charley en haar man —■, ze dorst ze niet onder de oogen komen. Ze was ten slotte, voelde ze ineens, voor het oogenblik alleen veilig bij dien jongen, dien ze nauwelijks kende, aan wiens genade ze zich onbesuisd overgeleverd had. Hun druk en aanhoudend samen praten, hun afzondering, hun verdwijnen, het was al opgemerkt, wel al besproken —׳, ze voelde het wel, ze kon het niet beletten dat haar oogen tintelden en haar wangen gloeiden.
Zoo kwam ze dan aan tafel tusschen een vroolijke bende jongens en meisjes terecht en schaamde zich in den beginne en was stil, omdat Egbert haar zoo donker en verachtend aankeek, omdat Charley, tegenover haar man, een heel eind van haar af, het hoofd schudde, half-verdrietig, half-schert-send en waarschuwend de vinger naar haar ophief. Ze had wel kunnen schreien, zoo diep-vernederd, zoo klein gemaakt ze zich voelde; een oogenblik haatte ze Charley het meest. Toen liet ze zich meesleepen in de opgewonden pret van de jongens om haar heen, maar haar vriend van dien avond dronk te veel — zij zelf dronk niets — en vroeg haar nu niet meer over de boeken die hij had gelezen, maar zei met blinkende *oogen loszinnige dingen, die haar verschrikten en waarop ze niet inging, nu eens zwakjes lachend, dan weer fel gekrenkt en het huilen nabij.
Ten slotte gaf ze zich gewonnen en deed mee in het liedjes zingen en joelen, gaf rake en brutale antwoorden, die gelach uitlokten, zichzelf al meer verliezend, tot haar stem en haar lach boven die der anderen uitklonken, de andere