haar redenen, duldde hij haar critiek op zijn denken en zijn doen.
En geen enkele betuiging seheeri zoo sterk op zijn spotlust te werken, dan de hare, dat hij haar niet begreep. Hij verklaarde zich eens in een gesprek volkomen overtuigd van het tegendeel, doch toen ze erop aandrong, dat hij dan eens een uiteenzetting zou geven van de wijze, waarop hij haar aard en wezen zag — weigerde hij met zijn gewone uitvlucht : dat hij niet verkoos door haar, als 't haar lustte, ״geëxamineerd" te worden. Hij zou haar die uiteenzetting wel eens geven ״in zijn eigen tijd" .—, doch nimmer kwam hij op het gesprek terug.
Ina werkt weinig dien winter, en ze las wel veel maar vaak verveelde ze zich toch ook, vooral in den avond. In het begin van het jaar hadden ze nieuwe buren gekregen: een jong gehuwd paar, beiden broodmager, waarvan de man onderwijzer was en de vrouw onderwijzeres —, hij bezat een acte voor middelbaar onderwijs en deed moeite voor een plaats als leeraar. Ze waren beiden socialist, en overigens van een zuinigen, drogen, ingetogen aard, alleen loskomend in het schimpen op de gulzige ״bourgeoisie" en de onrechtvaardigheden in de huidige maatschappij —, waarin Egbert trouw meedeed en die Ina niet weerspreken wilde of kon—, hoe weinig sympathiek haar het paar, zoowel als de gesprekken, overigens was. Doch als vanzelf waren de bezoeken over en weer tot een gewoonte geworden —, ze noemden elkaar bij den naam —, er werd nu en dan over ״politiek" gesproken, doch meestentijds kaart gespeeld en ten slotte was er, op Egberts voorstel, een vaste kaartavond ingesteld. Dat zou, vond hij, een allergeschiktste afleiding voor Ina wezen! Een mensch kon toch niet voortdurend lezen en werken —, de boog kon niet altijd gespannen zijn!
Ina wist niet wat ze er van vinden moest —, of ze het prettig vond of niet —, ze had nooit kaart gespeeld en voelde er van nature weinig voor, maar ze wilde Egberts genoegen niet bederven, en zoo zat ze een tijdlang eiken Zaterdagavond met de kaarten in de hand en bemerkte dat ze zich dan niet verveelde en dat dan niet die vreemde, ijle leegte haar hoofd binnensloop, zoodat het was als dreigde haar de doelloosheid van het leven te verpletteren.
Doch heel lang duurde het niet —, na een paar maanden al kreeg de buurman een benoeming als leeraar in een provinciestad en ze moesten verhuizen. Ze kwamen afscheid nemen, en toonden zich dien avond bijzonder opgewekt en ongewoon monter: de vrouw, die wat hardhoorend was, had, vriendenraad volgend, zich wegens dat euvel om ״lichaams,
.157