Ze stak als eenig antwoord haar voet vooruit.
״Met die schoentjes dan zeker."
Hij wierp er een verdrietigen blik op en zweeg gelaten.
״Lóóp jij dan alleen," stelde Otto voor, ״je moet denzelfden weg als mijn zuster —׳, jullie schijnen nog oude kennissen en dan breng je haar even thuis met den jongen."
ïna bloosde van blijde verrassing en ze zag nu duidelijk aan Ramondts oogen dat hij ook wel graag wilde, maar hij wist elke uiting te bedwingen.
״Vind-je dan goed," vroeg hij zijn vrouw, ״dat jij hier op het rijtuig wacht en dat ik dan wandel? Kan ik thuis nog iets voor je doen, ik zal er wel het eerst zijn."
״Dank je —, maar ga je gang, hoor!" het klonk bijtend van opzettelijke achteloosheid, maar haar vluchtige blik op Ina was weer laatdunkend en minachtend als even te voren en ze boog stijf bij het heengaan, zonder haar een hand te geven. Ina trilde. Wat verbeeldde die vrouw zich wel ? Dat ze hem had gekocht en. betaald? Dat hij haar eigendom was ? En hoe dorst ze haar zóó op te nemen en zoo aan te Zien?, Hij was duizendmaal te goed voor dat zelfzuchtige, botte wezen, met haar luie handen en leegen beuzelpraat, te vadsig om te loopen, nog niet eens mooi en geestig zooals Annie.
Maar zoodra ze samen op straat liepen, was de wrevel heen en voelde Ina alleen de wonderlijke bekoring van dit ongedachte samenzijn. Het zette haar hart in een vreemden gloed —, allerlei gevoelens tegelijk bestormden haar —, het blinde, redelooze vertrouwen in hem dien ze ternauwernood kende, het vertrouwen dat ze zelf indertijd tegenover Paul van Oord had bespot en zonder hetwelk ze toch niet gelukkig kon wezen —, en ook dat andere, welbekende verlangen hem te behagen, te bekoren, te schitteren, tegenover hem in 't bijzonder half-bewust hem te toonen, dat ze aardiger, geestiger was dan zijn eigen vrouw ׳—, ook mooier en jonger, wist ze —, en een balddadige lust die vrouw, haar geboren vijandin, die haar beleedigd had, te schokken in haar zot, pompeus zelfvertrouwen, dat op niets berustte. Ze schrok van dat laatste gevoel, dat haar tartend in het bewustzijn drong en dat ze dus niet ontkennen kon, en dacht met leed en bevreemding aan haar edele en verheven stemming van een uur geleden. Doch het verlangen, door hem bewonderd en gevleid te worden, was voor het oogenblik sterker dan alles ׳—, het scheen een levensbehoefte, het drong elke andere overweging uit haar weg, en terwijl ze schertsend sprak over hun vroegere ontmoeting en zij hem trachtte te ontlokken
.131