leven vol van zorgen en netelig getob —׳, hem wilde ze alleen het schoone, het vlekkelooze, het romantisch-bekoor-lijke en lieflijke van haar wezen toonen, en onbewust vergde ze die houding ook van hem tegenover haar —׳, doch hij was niet altijd in spreken en in doen vlekkeloos, bevallig en romantisch-lieflijk —, hij vertelde wel eens schandaaltjes van vrienden of zei loszinnige dingen, en dan werd ze altijd een botten wrevel en onverwinbaren tegenzin in zichzelf gewaar.
Voelde ze dan niets werkelijks voor hem, dat ze zoo weinig kon verdragen ? Ze kon er zich geen rekenschap van geven. De verloopen maanden waren niet licht geweest. Ze wilde zoo gaarne hun beiden, Paul en Egbert, geven wat hen gelukkig maken kon en ze deed voor beiden het uiterste van wat ze vermocht. Ze had Paul geschreven, wat ze hem moeilijk van aangezicht tot aangezicht zeggen kon —, dat ze niet wilde, niet kon voor hem wezen wat de menschen noemden zijn minnares. Dat was in den aanvang geweest en Paul had geestdriftig beloofd, dat hij haar besluit eerbiedigde —■, doch Ina meende later te hebben gevoeld, dat de standvastigheid, waarmee ze zich aan zijn verlokkingen onttrok, hem teleurstelde. Was het uit een redeloos gevoel van deugd —, was het uit afkeer tegen het halve en steelsche, het onschoone ״overspel" in eene wereld, waar elk ordentelijk ding zijn plaats heeft, als de doozen in een garenwinkel, doch waar voor het buiten-sporige geen oorlof en geen ruimte is, of kon haar droom van ideale wederzijdsche vereering in geen geval de gedachte aan eenige zinnelijke werkelijkheid verdragen zonder hopeloos en voor goed verstoord te worden ? Ze vroeg het zich af en wist het niet —, ze wist alleen wat ze tot eiken prijs niet wilde —, maar omdat ze voelde dat het Paul teleurstelde en griefde, liet ze zich altijd wéér opnieuw halverwege op paden verlokken, die ze tot hun einde toe niet dorst en wilde gaan. Dat bracht dan allerlei onrust en verwarring in haar te weeg, een onwaardig, laf en kwezelig wikken van wat wèl en van wat niet „mocht," hoever ze kon gaan, zonder zich schuldig te voelen, zonder „echtbreuk" te hebben gepleegd en liet haar weinig onvermengd geluk. Er waren dagen dat het kalme, huiselijke zijn met Egbert zonder spanning of exaltatie haar een verkwikking was na een nerveus-omgepraten middag bij Paul —, was Egbert . dan verliefd, dan liet ze zich gemakkelijk verteederen —, en had het gevoel alsof ze met Egbert Paul „bedroog", zooals ze op andere tijden het gevoel had als bedroog ze met Paul haar man. Niet zelden drong het besef van het pijn-
111