opeen van maehtelooze razernij. Wat zou Egbert zeggen —, hoe zou hij haar ontvangen! Het kon nog wel een uur langer duren eer ze thuis kwam. Wat had ze zich gehaast, om op tijd te zijn, gedreven door haar angst — teruggehouden door Paul's donker en ontstemd gezicht. Ze was, hervoelde ze, er ongeduldig om geworden. Wat verlangde hij dan —, dat ze huis en kind verwaarloozen zou ?Zou hij van haar houden kunnen als ze een slechte moeder was? En Egbert —, hij wist wel, dat ze nu en dan naar buiten ging naar Paul —׳, ze vertelde hem naderhand wel van hun gesprekken, en sloeg daar dan een luchtigen toon bij aan, als gold het iets volkomen natuurlijks en oorbaars; ze beoogde ook hem voortdurend den indruk te geven als zocht ze bij Paul alleen gedachtenwisseling, om zijn eigenliefde te sparen. Het kon hem dan toch niet anders dan natuurlijk schijnen, dat ze bij een ander iets zocht, waar hij niets voor voelde en nooit voor had gevoeld. Zoo misleidde ze hem, want die voorstelling was misleiding, terwille van haar eigen rust, om verwijt te ontgaan, uit schaamte ook, maar vooral ter wille van die gekrenkte eigenliefde, welke ze zoozeer natuurlijk vond in een man, wiens vrouw een ander de voorkeur geeft boven hem. Dit laatste ontkende ze dan ook hardnekkig, beleed het nauwelijks zichzelf en wist eigenlijk niet of het zoo was.
De trein ging verder —, Ina's gedachten effenden zich weer en vloeiden glad —, in een droomerige verbazing herdacht ze de Februari-maand en het begin van Maart, die eerste dagen met hun wonderlijk-krachtigen smaak, die een verwijding en verrijking van haar wezen met zich hadden gebracht, waarin beloften van eeuwigheid schenen besloten. En toch . . , Den eersten avond aan het knappend vuur had ze naar zijn sterke, smalle handen gestaard, als had ze nimmer mannenhanden aanschouwd ׳—, had ze het gevoel gehad, dat iets in hem en aan hem, ontastbaar maar onmiskenbaar, hem onderscheidde van alle andere mannen in de wereld. Waar was dat gevoel gevaren —׳, wanneer en waardoor mocht het zijn geluwd, afgenomen, verdwenen ? Ze wist het niet —, ze wist alleen dat het er nu niet meer was, dat ze nooit meer iets wonderlijks aan hem bespeurde. Toch hadden ze in de lente en in den zomer zoete uren tezamen doorleefd, maar zoo haastig en zoo schaarsch en zoo verborgen ! Toen ze pas weer in de stad waren, had ze Paul een keer ten eten mogen vragen en zich uitbundig verblijd in dat bezoek, zonder dat ze het durfde toonen, bij voorbaat beschaamd door Egberts spottende blikken en scham-
109