hij het haar geschreven en van het oogenblik af, dat ze den brief ontving had ze zich afgevraagd of ze blij was met de tijding. Ze had het zich weer afgevraagd op het oogenblik dat ze ontwaakte en vroeg het zich nu weer af —, en bemerkte tot haar onuitsprekelijke verluchting, dat Egberts komen haar onverdeeld verheugde. Ze was bovendien blij, nu het toevallig zoo uitkwam, dat Paul voor enkele dagen op reis was gegaan, juist den vorigen avond vertrokken en niet voor Dinsdag terugkeeren zou, want ofschoon het vanzelf sprak, dat hij voor Egbert moest wijken, scheen het haar voor hem te pijnlijk, nu al de gedachte aan haar gebondenheid te moeten dringen in de lieflijkheid van hun samenzijn. Dagelijks na dien dag hadden ze elkaar ontmoet —, en in de weinige dagen tusschen het toen en het nu, had ze zich zoo wonderlijk snel hersteld, en ze gloeide nu zoo van ijver en moed, voelde zich als glanzend van gezondheid, dat het haar zelf verbaasde. En beschaamde. Ze kon het gevoel niet kwijt, dat in dat geweldig ondergaan van wat niets dan een redelooze bevlieging was, voor den eersten den. besten man dien ze had ontmoet, iets bijna verachtelijks, iets minderwaardigs stak —, doch ze merkte tegelijkertijd, dat dit niet zuiver haar eigen gevoel was, doch eigenlijk Egberts gevoel, en dat hij het zoo zou hebben gezegd: ״de eerste de beste man." Het was niet waar —׳, ze ontmoette er genoeg, die haar koud lieten —, maar Paul was ״de eerste de beste" niet. Hij wist haar te geven wat zij zocht, omdat hij haar doorgrondde: de vereering, die geen dienstbaarheid buitensluit ■—, hij had als een rechthebbende tot haar gesproken, haar gezegd, dat haar zwakheid inbeelding was, dat ze terug moest naar haar huis in de stad en werken —, en als in hetzelfde oogenblik met de zoetste woorden de meest verfijnde vleierijen gefluisterd. Daaraan terug te denken, die woorden zacht en binnen in haar borst te doen ontluiken en weerklinken, zoovaak, zooveel ze wilde, zoodat het was, als werden ze opnieuw tot haar gesproken het was als een zoete smaak. En weer, als vroeger, zag ze met ontzag op het kostelijk wonder der herinnering, der bewuste en willekeurige herbeleving van het voorbije. De uren, die minuten schenen, van hun samenzijn, hielden immers daardoor dagen en nachten van een zoeten en warmen glans doortrokken.
Hoe kon het niet langer dan drie dagen geleden zijn, dat hij haar, toen de maan scheen, in de beukenlaan had gekust, op wangen en lippen en oogen zóó zacht en ze geschreid had en weer gevraagd, dat hij haar toch niet verachten zou.
99