'En wij dan verleden week? De hele woensdagmiddag inkopen gedaan en taartjes toe... en de zaterdag daarop met Jaap naar de bioscoop.'
'Dat was voor Jaap...'
'Heeft Jaap dan nergens recht op?'
Het kind zweeg, staarde over haar boek met verdonkerde ogen.
'Luister nu eens even, Fransje...' begon Marianne dan weer, 'zo klein ben je toch niet meer... je weet immers dat Moek niet de eerste de beste gewone mevrouw is, dat ze een ander karakter heeft... ander werk heeft. Dat kan Moek toch niet helpen, is het wel? En zeg dan nu eens even, doe ik niet altijd zoveel mogelijk mijn best? Besteed ik niet al mijn vrije tijd aan jullie?'
'Ach ja, je doet ook wel je best... en je kunt het ook niet helpen,... dat weet ik wel...' erkende het kind. 'Maar zie je... ik denk zo vaak... och neen, laat ik het maar niet zeggen... het doet je maar verdriet...'
'Zeg het maar, Fransje,' drong Marianne aan; ze had het boek dichtgeslagen en van zich afgeschoven, 'wat is dat dan, datje zo vaak denkt, en datje niet zeggen wilt, om mij geen verdriet te doen? Kom eens even hier bij mij!'
Ze trok Fransje op haar schoot; het kind sloeg de armen om haar hals en leunde tegen haar aan.
'Zul je niet boos worden, Moek? Neen? Ik denk zo vaak...'
'Nu dan...?
'Dat ik zo dol-dolgraag een doodgewone moeder had willen hebben, zo'n moeder als die van Suus van Leeuwen en Go Daal-mans... Ben je nu boos, Moekie? Vind-je het erg akelig?'
Ze duwde zachtjes het kind van haar schoot, dat verlegen rechtop bleef staan voor haar knieën -, langs haar heen staarde ze in de haard.
'Ben je nu boos, Moekie?...'
'Neen... och neen, waarom zou ik...' Met moeite bracht ze de woorden uit... maar haar eigen stem, het helle licht van de lamp, Fransjes bijzijn... het was haar alles plotseling ondraaglijk... ze had uren ver weg en alleen, ergens diep in donker begraven willen zijn, om het alles door te denken, tot het einde uit te denken,
179