tot de bodem toe al dit overbittere te smaken, om het daarna misschien te verwerken en, begrijpend te boven te komen...
Fransje was naar haar stoel terug gegaan, van ogenblik tot ogenblik schuw naar haar moeder kijkend, ineens zag Marianne haar zacht schreien achter een zakdoek.
'Niet huilen, Frans...' ze hoorde haar eigen stem schier toonloos en tegelijk schril doordringend, 'als je lief voor Moek wilt zijn... ga dan nu maar naar bed... laat me even alleen...'
'Kom je nog boven, straks?'
'Ik weet het niet... misschien... maar ga dan nu, kindje, toe...' smeekte ze, haar stem bijna hees van bedwongen wanhoop, van angst, dat Fransje, opnieuw geïrriteerd, nog weer doorpraten zou.
Het ogenblik van begrip, van vertedering in het kind was al weer voorbij, schouderophalend liep ze de kamer uit.
En Marianne, roerloos, gedachteloos starend in de haard, doorleefde in een innerlijke trilling nog eens weer de hele, zware dag, het hele zware leven... geen visioenen waren het, maar één enkele sensatie... van moeite en loden druk... en dan was er ook dat niet meer... sloot ze de ogen... zat ze stil, als levenloos, in het verstilde huis... Van buiten, uit de windloze avond, kwam het flauwe gerucht van de mat-neerdruppelende regen...
Velp, voorjaar - najaar ïgig