Shaw-zelf-, dat was dan het vermogen om onder de religieuze en politieke en ethische ficties de diep-begraven werkelijkheid van menselijke motieven en drijfveren te onderkennen het was inderdaad een onderscheiding, in het wezen der dingen vastgeworteld -, maar welke plaats in 'De Werkelijkheid' bleef er dan voor de fictie, voor het dogma, voor de inbeeldingen der theologen en moralisten? 'Het werkelijke leven'. Als was niet alle leven werkelijk. 'De Werkelijkheid'. En immer weer de zelfverheffing van het collectieve visioen - want het 'normale gezicht' mocht toch niet anders heten -, boven het individuele visioen -, en altijd weer de poging om de uitkomsten van het onderzoek van de een met die van de ander te bewijzen, dezelfde vicieuze cirkel, waarin mensen ronddwarrelen, die 'de Schrift' uit zichzelf te bewijzen zoeken! Want waren niet alle ogen van mensen en was niet alle denken van mensen gelijkelijk ingericht en ingesteld, zodat de gelijkheid van uitkomsten evenzeer in de rede lag als de gelijkenis van de mens met zijn eigen spiegelbeeld? Maar hoeveel misleidender! En nooit zou die misleiding eindigen, zolang mensen zich bleven wanen onderling-onafhan-kelijke vrij-werkende geestelijke organismen -, zolang ze zich niet konden begrijpen als slechts schijnbaar-afzonderlijke repro-dukties van één collectief geestelijk organisme-, dat in bepaalde stadia van zijn ontwikkeling bepaalde 'waarheden' voortbrengen moet. Daarom vonden dan ook wel alle 'vrije onderzoekers' in één periode allen dezelfde dingen —, maar in een volgende periode kwamen — zoals in een vorige periode waren gekomen -uit de laboratoria van het 'objectieve onderzoek' gans andere uitkomsten, gans andere formules te voorschijn.
Werkelijkheid,... het woord groeide uit, zodra er aan geroerd werd, het onderscheidde zich duizendvoud in zichzelf... het vertakte zich naar alle zijden, eindeloos. En juist, omdat alle mensen te zamen vastzaten in diezelfde zelfmisleidingen, als levensgrondslag te doorgronden en te mistrouwen, daarom dreigde overal en voor elkeen de verwarring en vergissing tussen wat elkaar zo bedrieglijk gelijkt en toch niets van elkanders wezen heeft. Zou ze er ooit de weg in leren, ooit uit het zich aan haar opdringende misleidend-tegenstrijdige en eindeloos-veelzijdige
165