omkoesterd door lichte, zachte wol, achterhoofd en nek, waar het ook nu weer zo gloeide en pijnlijk schrijnde, tegen de koude onderrand van het kussen, de armen slap naast zich, aan weerskanten van haar lijf.
En nu van beneden af het lachen van Fransje en grootvaders stem, diejokkernijen zei - met de jaren was de oude man zich al meer bij hen thuis gaan voelen, als zocht hij zich voor de kilte van zijn huiselijk leven, schadeloos te stellen aan de jonkheid en de warmte van de kinderen - een enkel woord van Harry ofjaap ertussen in, uit de keuken het bromgezang van de meid, dat wel heel lelijk was, maar althans duidde op goed humeur, nu dit alles als van ver-af dromerig tot haar doordringen kwam, genoot ze proevend dat zoet-behaaglijke gevoel uit haar kinderjaren, wanneer ze wel eens een dagje ziek was en in bed bleef en het geluid van de huiselijke bedrijvigheid ook zo van beneden, vlak bij en toch als van ver, dromerig tot haar doordringen kwam... Ze genoot volop het ogenblik en ze genoot het vermogen om het ogenblik te genieten, zo zeldzaam haar vergund! Zó lag ze, minuten achtereen, en hoorde ook weer, uit de tuin als straks, een vogeltje hier en een vogeltje daar en voelde zich weldadig door-trild van oplossende warmte, die de krampende zenuwpijn verdreef en hoe de heerlijke zware slaap op haar oogleden zich legeren kwam, waartegen ze zich toch tegelijk zo lang mogelijk verzette omdat ze bewust genieten wilde de schaarse ogenblikken en het schaarse vermogen, bewust zich omkoesterd voelen van warmte en rust.
Wakker wordend in volkomen dezelfde houding, greep ze vol schrik haar horloge van de knop; ze kon nauwelijks zien hoe laat het was, door het ijle lichte rood van de cretonne drong nog zwak het buitenlicht, maar het dichtere groen en zwart en paars liet al niets meer door, doch nu ze zag dat ze maar een kwartier geslapen had en tegelijk zich realiseerde dat ze was wakker geworden zonder de benauwde pijn van de overgang, zonder dat lamlendig spartelen om als uit een diep en lichtloos dal naar de dag te stijgen, nu werden haar ogen vochtig van vreugde. Ze lei haar oor scherp te luisteren... hoe stil was alles... dan ineens begreep ze: grootvader las voor! Nu zou het vredig samenzijn beneden niet meer worden verstoord.
161