factor,' herhaalde de dokter. 'Zou die in dit geval bezwaren opleveren?'
'Neen... eerder mijn eigen werkkring.' Haar woorden waren meer een doorgaan op eigen gedachten, dat een antwoord op de vraag, en ze had er onmiddellijk spijt van. Ze zag het grauwbleke gezicht, juist enigszins opgeklaard en ontspannen in professionele vriendelijkheid, opnieuw verdonkeren in schier-toor-nige geprikkeldheid, met een armzwaai van zijn stoel keerde hij zich naar haar toe.
'Hebt u een werkkring? Wat bent u dan, wat doet u dan?'
De nijdige, uitdagende woorden overbluften haar zo, dat ze niet dadelijk antwoorden kon. Ze wist ook niet precies, wat ze antwoorden, hoe ze haar 'werkkring' zo ineens benoemen moest.
'Misschien bent u wel eens ergens mijn naam tegengekomen...'begon ze ietwat pijnlijk... 'Mevrouw Edema... Marianne Edema?...'
'Spijt me... nooit van gehoord! Stil... laat eens kijken... ja, toch, dan heb ik toch wel eens ergens een stukje van u gelezen.' En met een lachje, waarvan de schijn van goedmoedige superioriteit door de nijdige, driftige toon werd gelogenstraft, liet hij er op volgen:
'O, dat noemt u een werkkring? Grappig... die vrouwtjes... Ik zou anders zeggen, dat zo'n werkkring gerust altijd en overal waargenomen kan worden, 's Middags als de kinderen naar school zijn en het huishouden aan kant-, 's avonds als de kinderen slapen. Ik zie niet in, welk bezwaar u zou kunnen hebben om met een van uw kinderen naar buiten te gaan.'
Ze mompelde iets van 'voorstudie', van 'wenselijkheid om zich te concentreren'. Hij luisterde niet, doch viel haar in de rede om haar toe te bijten: 'Maar u wilt toch zeker niet zeggen dat u uw kinderen zou achterstellen bij die... bij die liefhebberijtjes van u...?'
Ze voelde een gloeiend rood naar haar wangen gaan, een heftige drang om uit te vallen, maar bedwong zich.
'Dokter... ik heb u, geloof ik, juist horen zeggen dat uw tijd beperkt is. Laat ik er dus vooral niet langer beslag op leggen! Is
158