waterklare licht, onder het tegelijk doordringend en afwezig kijken van die ogen, die overal enkel de materie en nergens de geest schenen te zien, vertelde ze vanjaaps hardnekkige tempe-ratuurs-verhoging, hoe hij altijd-door langer en niet noemenswaard zwaarder werd, hoe hij vaak in mismoedige buien, klaagde over moeheid, nergens lust in had.
Van dat de kinderen klein waren had ze met haar schoonvader, hun medicus, over hun gestel en hun aanleg gesproken, daardoor was ze met een aantal eenvoudige medische termen en benamingen als met haar eigen taal vertrouwd geraakt, waarvan ze zich nu ook bediende, zonder enige ophef en zelfs zonder het op te merken - want eigenlijk drong het pas tot haar door na een herhaalde snel-bedwongen, toornig-ongeduldige beweging van de man tegenover haar nu ze een paar maal van 'pretuberculeus' en van 'anemisch' sprak. Benamingen als laryngitis, tonsillen en lordosis schenen hem zo te prikkelen, dat hij met de vingers op zijn schrijftafel begon te trommelen en blijkbaar moeite moest doen om haar niet in de rede te vallen. Onder het spreken had ze gedachteloos haar hand op de hoek van de tafel steunend, met een staafje rood lak zitten spelen - met een nerveuze ruk nam hij het haar ineens uit de vingers en wierp het in een bakje naast zich.
'U neemt me niet kwalijk. Dat gedraai met voorwerpen werkt altijd zo op mijn zenuwen.'
Onder haar kalm-verbaasde blik scheen hij toch wel even bedremmeld, ze zag een vluchtig rood wazen over zijn grauwbleek gezicht. Hij belde, kortaf zeggend:
'We zullen het kind dan nu maar laten komen.'
In een kleine kale zijkamer, waar een lage leren bank stond tegenover het raam, moest Jaap zich ontkleden. En nu ze hem daar zo nietig en schriel, zo bijna schamel in zijn jongensachtige, verlegen schroom voor de vreemde dokter zag staan, vergat ze ineens weer haar afkeer tegen de man. Als tot een vriend, als tot een vertrouwde, fluisterde ze, nu hij van een tafel vlak bij haar een paar voorwerpen kwam halen:
'Vindt u hem héél erg mager, dokter?'
Hij hief het hoofd naar haar op -, in het naakte, meedogenloze
155