hand niet zou willen loslaten, dan ineens ging hij gewillig weer naar de tafel terug.
Na het schemerdonker van de wachtkamer, was in het spreekvertrek aan de tuinzijde, met de grote kale ramen, waarvan de rolgordijnen tot in 't kozijn opgetrokken waren, het waterklare licht, bijna schel en pijnlijk voor de ogen. De dokter zat er met de rug naar toe, in zijn van de schrijftafel afgedraaide bureaustoel -, een klein gedrongen mannetje, grijs-grauw van haar en baard, in grijs-grauw gekleed, van een vijftig jaar of daaromtrent. Zijn grijs-groene, rusteloze ogen, met hun tegelijk doordringende en afwezige blik - als merkten ze alles van het lichaam en niets van de ziel, overal de materie en nergens de geest - deden Marianne bijzonder onaangenaam aan. Nu hij opstond om haar te begroeten, zag ze zijn bruinberookte tanden en deinsde achteruit van de reuk van gebakken vis die hij, met brood te zamen, zoeven moest hebben gegeten.
'Dokter Merckelbach...'
'Mevrouw Edema, nietwaar? Ah juist... Half twee...' Hij ging weer zitten, keek naar de klok, die vijf minuten voor twee-en wees, maar maakte generlei opmerking.
'Ik ben wat laat...' voelde Marianne zich nu wel gedrongen te zeggen, 'buiten mijn schuld. Ik hoop, dat u mij verontschuldigen wilt.'
Hij scheen met een handgebaar haar excuses ter zijde te willen wuiven.
'Daar praten we maar niet meer over, mevrouwtje! Een beetje beuzelen... dat zit er bij de dames nu eenmaal in, nietwaar? Een van haar vele charmes, zullen we maar denken... U neemt me inmiddels niet kwalijk als ik er u aan herinner, dat mijn tijd beperkt is? Dus?'...
Ze antwoordde niet dadelijk, een weerzin steeg in haar op als een walm en ze onderscheidde niet, waarop die gericht was: op de hooghartig-achteloze woorden of het kleffe Duitse accent. En ze vroeg zich af, wat haar schoonvader bewogen mocht hebben, haar naar die man te sturen, die niet eens zijn tanden reinigde tussen dejeuner en spreekuur -, kon dat een perfecte kinderdokter zijn? Maar ze moest nu wel spreken en in het naakte,
154