naar de middentafel en terwijl de achterlijke jongen, een hunker in zijn glazige ogen, de lach om zijn slappe mond iets minder wezenloos, hem goedig dadelijk zijn eigen boek toeschoof, stond het korte, dikke mevrouwtje op, nam een stoel vlak bij Marianne en begon te vertellen van Henri-tje, hoe ongelukkig zij en haar man het getroffen hadden, een lief, verstandig dochtertje— 'een buitengewoon kind, mevrouw!' — op haar vijfde jaar verloren en nu alleen dit stumpertje over. Idioot was hij niet, volstrekt niet, hij zou nog best wat kunnen leren en had zelfs hier en daar wel een beetje aardigheid in... in bloemetjes en in visjes en zo. Marianne keek weer naar het ventje, dat nu vlak bij Jaap stond, en naar hem opzag en zich wel aan hem scheen te willen wrijven om wat warmte van kameraadschap en ze vond inderdaad, de eerste ontsteltenis voorbij, iets zachtzinnigs in de domlachende mond, een sprank van schuchtere belangstelling in de doffe, glazige ogen.
'Maar mevrouw,' trachtte ze te troosten, nu ze de ander haar geparfumeerde zakdoek naar de ogen zag brengen, een huil-trek om de mond zag verschijnen, 'misschien komt uw jongen nog heel goed terecht, misschien wordt hij heel gelukkig nog als kweker, als boer. Alle jongens hoeven toch niet te studeren.'
'Studeren, mevrouw, studeren? We hebben nooit aan studeren gedacht, ik niet en mijn man ook niet. Maar och, ziet u, mevrouw, ik had hem zo zielsgraag in de effecten gehad. Zijn pa, ziet u, is óók in de effecten...' Ze schudde het hoofd, lang-zaam-smartelijk, als iemand die voor de zoveelste maal aan een geliefde illusie tracht voorgoed vaarwel te zeggen en Marianne staarde haar aan, verbijsterd, op het punt te vragen of die carrière misschien niet toch nog voor Henri-tje-lief openstond, toen de meid haar roepen kwam. Ze mocht vóórgaan, de andere dame was voor later 'besteld'. En nu trok zich, in een felle bons van haar hart, al haar belangstelling zó ineens weer op Jaap terug, dat ze bijna vergat in het weggaan te groeten.
'Kom Jaap...'
'Eerst u alleen, mevrouw,' zei de meid, 'en dan straks pas de jongeheer. Zo gaat het hier altijd.'
Jaaps lippen trilden, even scheen het Marianne, dat hij haar
153