haar leven haar eigen gezicht als een oud gezicht te zien, zichzelf als een mens voor wie verval en ouderdom niet langer enkel woorden, ergstens verre schimmen waren, dat gaf toch wel een schok. En ze dacht: ik ben dan toch ook al in de nedergang. Twee keer negenendertig... niet waarschijnlijk! Dan ging ze naar beneden.
De kinderen waren nog niet thuis, maar Harry zat al bij de kachel met zijn ochtendblad.
'Hier, een brief met spoedbestelling...' en terwijl hij het haar gaf, was er in zijn ogen weer die hunker, die verwachting naar alles wat afwisseling, kleur, emotie brengen kon, nu vooral, in roerloze, grauwe dag van midden-februari.
'Is 't iets bijzonders? Van wie?...'
'Van de drukkerij. Ze wachten op een proefje, dat ik totaal vergeten was... Neen, stil,... laat me nu eens even bedenken... In elk geval vóór ik naar Merckelbach ga...' Harry wilde weer wat zeggen, maar ze viel hem haastig in de rede, 'stil nu maar, daar zijn de kinderen.'
'Frans schijnt in haar humeur, hoor ze eens lachen met Jaap.'
'Ze doet voortdurend haar best om lief voor hem te zijn, sinds ze weet dat hij ontzien moet worden.'
"t Lukt alleen maar niet altijd,' vond Harry.
'Men rekent d'uitslag niet... maar ik zal eens gauw wat boterhammen snijden!'
'Is er wat warms?...'
Achter de tengere, fijne Jaap met de dromerige ogen en de losse vacht van zijn zacht, dik blond haar, die zijn hoofd, op de ranke hals, haast te groot deed lijken, kwam Fransje, één-en-al tinteling van eigenwilligheid en drang om te leven, te genieten, groot te zijn, vrij te zijn, gelukkig te zijn, altijd meer begerend dan vervuld kon worden, hakend alweer naar het verdere, dat mooier en heerlijker moest zijn, als 't huidige nauwelijks genoten was, nu, bij haar binnenkomen, de kamer vullend, de anderen aanstekend als met een onrustige verwachting: wat ze nu weer verlangen, wat ze nu weer vragen zou...
'Vandaag niet, Frans... Dat is te zeggen... als je een kliekje hutspot wilt... en zelf aan Dien gaan vragen of ze 't warmt. Ik
147